werken
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ʋɛrkən/Betekenis
- arbeid verrichten, lichte vorm van zwoegen en daarmee geld verdienen
- functioneren, draaien
- een gunstig gevolg hebben
- iets groots tot stand brengen
- verrichten
- maken, tot stand brengen
Hoe spreek je werken uit?
/wɛrkən/
Werken bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| ɛ | bed |
| r | rood |
| k | kat |
| ə | de |
| n | nek |
werkwoord
- arbeid verrichten, lichte vorm van zwoegen en daarmee een resultaat proberen te bewerkstelligen en geld verdienen unergative
- effect sorteren, een bepaald beoogd gevolg hebben impersonal, unergative
Vervoeging van werken
werkenhele werkwoord — werkteverleden tijd enkelvoud — werktenverleden tijd meervoud — gewerktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | werk | werkte |
| jij | werkt | werkte |
| hij, zij, het | werkt | werkte |
| wij | werken | werkten |
| jullie | werken | werkten |
| zij | werken | werkten |
Alle 68 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gewerkt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gewerkt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gewerkt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gewerkt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gewerkt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gewerkt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gewerkt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gewerkt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gewerkt | verleden tijd, deelwoord |
| gewerkt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewerkt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gewrocht | verleden tijd, deelwoord |
| had gewerkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gewerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gewerkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gewerkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gewerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gewerkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gewerkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewerkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewerkt | verleden tijd, deelwoord |
| heeft gewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewerkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gewerkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te werken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen werken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| werk | gebiedende wijs |
| werke | aanvoegende wijs |
| werkend | onvoltooid, deelwoord |
| werkt | tegenwoordige tijd |
| werkte | verleden tijd |
| wrocht | verleden tijd |
| zal gewerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gewerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal werken | toekomende tijd |
| zal werken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal werken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal werken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gewerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou werken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou werken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou werken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gewerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gewerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden werken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden werken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden werken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gewerkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt werken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gewerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gewerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gewerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen werken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen werken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen werken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen werken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gewerkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult werken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord werk
Herkomst
ww: erfwoord, in de betekenis ‘arbeiden’ aangetroffen vanaf 901
Woordfamilie van werken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gewerkt | voltooid deelwoord | werken |
| gewerkte | woordvorm | werken |
| werke | aanvoegende wijs | werken |
| werkt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | werken |
| werkte | verleden tijd | werken |
| werkten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | werken |
| wrocht | verleden tijd | werken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van werken zijn vastgelegd.