Naar de inhoud

werken

arbeid verrichten, lichte vorm van zwoegen en daarmee geld verdienen

werken is meer dan één woord

werken

werkwoord, zelfstandig naamwoord /ʋɛrkən/

Betekenis

  1. arbeid verrichten, lichte vorm van zwoegen en daarmee geld verdienen
  2. functioneren, draaien
  3. een gunstig gevolg hebben
  4. iets groots tot stand brengen
  5. verrichten
  6. maken, tot stand brengen

Hoe spreek je werken uit?

/wɛrkən/

Werken bestaat uit twee lettergrepen.

De tekens in /wɛrkən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
w quiz
ɛ bed
r rood
k kat
ə de
n nek

werkwoord

  1. arbeid verrichten, lichte vorm van zwoegen en daarmee een resultaat proberen te bewerkstelligen en geld verdienen unergative
  2. effect sorteren, een bepaald beoogd gevolg hebben impersonal, unergative

Vervoeging van werken

werkenhele werkwoord — werkteverleden tijd enkelvoud — werktenverleden tijd meervoud — gewerktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik werk werkte
jij werkt werkte
hij, zij, het werkt werkte
wij werken werkten
jullie werken werkten
zij werken werkten
Alle 68 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is gewerkt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gewerkt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gewerkt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gewerkt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gewerkt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gewerkt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gewerkt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gewerkt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gewerkt verleden tijd, deelwoord
gewerkt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gewerkt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gewrocht verleden tijd, deelwoord
had gewerkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gewerkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gewerkt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gewerkt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gewerkt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gewerkt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gewerkt verleden tijd, deelwoord
heeft gewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gewerkt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben gewerkt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te werken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen werken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
werk gebiedende wijs
werke aanvoegende wijs
werkend onvoltooid, deelwoord
werkt tegenwoordige tijd
werkte verleden tijd
wrocht verleden tijd
zal gewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal werken toekomende tijd
zal werken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal werken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal werken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou werken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou werken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou werken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden werken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden werken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden werken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gewerkt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt werken aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen werken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen werken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen werken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen werken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gewerkt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult werken aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord werk

Herkomst

ww: erfwoord, in de betekenis ‘arbeiden’ aangetroffen vanaf 901

Woordfamilie van werken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gewerkt voltooid deelwoord werken
gewerkte woordvorm werken
werke aanvoegende wijs werken
werkt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon werken
werkte verleden tijd werken
werkten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon werken
wrocht verleden tijd werken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van werken zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over werken

Hoe spreek je werken uit?
De uitspraak van werken is: /ʋɛrkən/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd.
Wat betekent werken?
Werken is een werkwoord. Het woord betekent: arbeid verrichten, lichte vorm van zwoegen en daarmee geld verdienen. Deze pagina beschrijft 8 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je werken?
Je vervoegt werken als volgt: de tegenwoordige tijd is werk, de verleden tijd is werkte en het voltooid deelwoord is gewerkt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spreekwoorden en gezegden met werken

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord werken is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. W 5
  2. E 1
  3. R 2
  4. K 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

werken levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. W 5
  2. E 1
  3. R 2
  4. K 3
  5. E 1
  6. N 1
  7. 13 zonder bonus
  8. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

werken telt 6 letters, waarvan 5 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

werken in het kort

werken is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 8 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van werken zijn 42 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort werken bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

werken: arbeid verrichten, lichte vorm van zwoegen en daarmee geld verdienen
Deel werken — standaardnederlands.nl