warmen
werkwoordBetekenis
- warmte toevoegen
- zich ~ zich in warmte koesteren
Vervoeging van warmen
warmenhele werkwoord — warmdeverleden tijd enkelvoud — warmdenverleden tijd meervoud — gewarmdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | warm | warmde |
| jij | warmt | warmde |
| hij, zij, het | warmt | warmde |
| wij | warmen | warmden |
| jullie | warmen | warmden |
| zij | warmen | warmden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gewarmd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gewarmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gewarmd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gewarmd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gewarmd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gewarmd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gewarmd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gewarmd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gewarmd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gewarmd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gewarmd | verleden tijd, deelwoord |
| gewarmd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gewarmd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gewarmd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewarmd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewarmd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gewarmd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gewarmd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gewarmd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gewarmd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gewarmd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gewarmd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gewarmd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gewarmd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gewarmd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gewarmd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gewarmd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gewarmd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gewarmd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewarmd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gewarmd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gewarmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gewarmd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gewarmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewarmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gewarmd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gewarmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gewarmd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gewarmd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te warmen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen warmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart gewarmd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gewarmd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gewarmd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gewarmd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| warm | gebiedende wijs |
| warm me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| warm u/je , warmt je | gebiedende wijs |
| warmde | verleden tijd |
| warmde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| warmde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| warmde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| warmde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| warmde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| warmde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| warmde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| warmden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| warmden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| warmden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| warme | aanvoegende wijs |
| warme zich | aanvoegende wijs |
| warmen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| warmen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| warmen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| warmend | onvoltooid, deelwoord |
| warmt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| warmt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| warmt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| warmt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| warmt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| warmt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| was gewarmd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gewarmd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gewarmd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gewarmd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gewarmd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gewarmd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gewarmd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gewarmd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gewarmd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gewarmd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gewarmd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gewarmd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gewarmd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gewarmd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gewarmd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gewarmd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gewarmd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewarmd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gewarmd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gewarmd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewarmd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gewarmd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gewarmd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me warmen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal warmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal warmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal warmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich warmen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je warmen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich gewarmd hebben | verleden tijd |
| zich warmend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn gewarmd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gewarmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gewarmd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gewarmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gewarmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewarmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewarmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gewarmd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewarmd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gewarmd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewarmd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gewarmd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gewarmd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou warmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou warmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou warmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gewarmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gewarmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewarmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gewarmd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gewarmd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gewarmd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gewarmd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gewarmd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gewarmd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden warmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden warmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden warmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gewarmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gewarmd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gewarmd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt warmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gewarmd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gewarmd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gewarmd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gewarmd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Herkomst
afgeleid van warm met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van warmen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gewarmd | voltooid deelwoord | warmen |
| gewarmde | woordvorm | warmen |
| warmde | verleden tijd | warmen |
| warmden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | warmen |
| warmend | onvoltooid deelwoord | warmen |
| warmende | woordvorm | warmen |
| warmt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | warmen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van warmen zijn vastgelegd.