warm
bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, werkwoord /ʋɑrṃ/Betekenis
- een hoge temperatuur hebbend
- de warmte van het lichaam vasthoudend
- enthousiast zijn/worden
- waarbij warmte nodig is
- prettig overkomend
- op warme wijze
Hoe spreek je warm uit?
/wɑrṃ/
Warm bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| ɑ | bad |
| r | rood |
bijvoeglijk naamwoord
- enthousiast figuratively
- vertrouwd, veilig, gezellig
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| warme | verbogen, stellende trap |
| warmer | onverbogen, vergrotende trap |
| warmere | verbogen, vergrotende trap |
| warmers | partitief, vergrotende trap |
| warms | partitief, stellende trap |
| warmst | onverbogen, overtreffende trap |
| warmste | verbogen, overtreffende trap |
bijwoord
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van warmen
- gebiedende wijs van warmen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van warmen
Vervoeging van warm
warmhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘met hoge temperatuur’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van warm
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| warmere | verbogen vergrotende trap | warm |
| warms | partitive, positive | warm |
| warmst | uninflected, superlative | warm |
| warmste | inflected, superlative | warm |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van warm zijn vastgelegd.