Naar de inhoud

verwarmen

iets warm maken

verwarmen

werkwoord vərˈwɑrmə(n)

Betekenis

  1. iets warm maken
  2. zich ~ : zich opwarmen

Hoe spreek je verwarmen uit?

/vərˈwɑrmən/

Verwarmen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.

De tekens in /vərˈwɑrmən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
v vis
ə de
r rood
w quiz
ɑ bad
m maan
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. zich ~: zich opwarmen reflexive

Vervoeging van verwarmen

verwarmenhele werkwoord — verwarmdeverleden tijd enkelvoud — verwarmdenverleden tijd meervoud — verwarmdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik verwarm verwarmde
jij verwarmt verwarmde
hij, zij, het verwarmt verwarmde
wij verwarmen verwarmden
jullie verwarmen verwarmden
zij verwarmen verwarmden
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben verwarmd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent verwarmd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is verwarmd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was verwarmd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd verwarmd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt verwarmd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal verwarmd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal verwarmd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou verwarmd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou verwarmd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had verwarmd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had verwarmd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had verwarmd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden verwarmd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden verwarmd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden verwarmd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt verwarmd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb verwarmd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben verwarmd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben verwarmd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben verwarmd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben verwarmd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt verwarmd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft verwarmd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft verwarmd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is verwarmd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is verwarmd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben verwarmd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te verwarmen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen verwarmen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verwarm gebiedende wijs
verwarm me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
verwarm u/je , verwarmt je gebiedende wijs
verwarmd verleden tijd, deelwoord
verwarmd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verwarmd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verwarmd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verwarmd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verwarmd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verwarmd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verwarmd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verwarmd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verwarmd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
verwarmd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verwarmde verleden tijd
verwarmde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
verwarmde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
verwarmde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
verwarmde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
verwarmde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
verwarmde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
verwarmde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
verwarmden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
verwarmden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
verwarmden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
verwarme aanvoegende wijs
verwarme zich aanvoegende wijs
verwarmen je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
verwarmen ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
verwarmen zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
verwarmend onvoltooid, deelwoord
verwarmt je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
verwarmt u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
verwarmt u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
verwarmt zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
verwarmt zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
verwarmt zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
waart verwarmd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verwarmd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren verwarmd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verwarmd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was verwarmd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was verwarmd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was verwarmd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd verwarmd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd verwarmd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd verwarmd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden verwarmd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden verwarmd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden verwarmd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt verwarmd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word verwarmd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden verwarmd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden verwarmd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden verwarmd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt verwarmd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt verwarmd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me verwarmen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal verwarmd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verwarmd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal verwarmd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal verwarmd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verwarmd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal verwarmd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verwarmd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal verwarmen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal verwarmen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal verwarmen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal zich verwarmen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je verwarmen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich verwarmd hebben verleden tijd
zich verwarmend onvoltooid, deelwoord
zijn verwarmd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn verwarmd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn verwarmd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt verwarmd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou verwarmd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verwarmd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verwarmd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou verwarmd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verwarmd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou verwarmd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verwarmd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verwarmd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verwarmd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou verwarmen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou verwarmen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou verwarmen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden verwarmd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verwarmd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden verwarmd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verwarmd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden verwarmd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden verwarmd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verwarmd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verwarmd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden verwarmd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verwarmen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden verwarmen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden verwarmen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt verwarmd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verwarmd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verwarmd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verwarmen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen je verwarmen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons verwarmen eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen verwarmd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen verwarmd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Afgeleid van warm met het voorvoegsel ver- met het achtervoegsel -en of afgeleid van warmen met het voorvoegsel ver-

Woordfamilie van verwarmen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
verwarm gebiedende wijs verwarmen
verwarmd voltooid deelwoord verwarmen
verwarmde verleden tijd verwarmen
verwarmden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon verwarmen
verwarme aanvoegende wijs verwarmen
verwarmend onvoltooid deelwoord verwarmen
verwarmende woordvorm verwarmen
verwarmt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon verwarmen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verwarmen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over verwarmen

Hoe spreek ik verwarmen uit?
Zo spreek je verwarmen uit: /vərˈwɑrmə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van verwarmen?
Verwarmen is een werkwoord. De betekenis is: iets warm maken. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik verwarmen?
Zo vervoeg je verwarmen zo: de tegenwoordige tijd is verwarm, de verleden tijd is verwarmde en het voltooid deelwoord is verwarmd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op verwarmen?

Op verwarmen rijmen 3 woorden, onder andere armen, darmen en onderarmen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op verwarmen, uitspraak vərˈwɑrmən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
armen 2
darmen 2
onderarmen 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord verwarmen is 20 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. W 5
  5. A 1
  6. R 2
  7. M 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

verwarmen levert met Wordfeud minimaal 20 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. W 5
  5. A 1
  6. R 2
  7. M 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 20 zonder bonus
  11. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

verwarmen in het kort

verwarmen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van verwarmen staan er 103 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort verwarmen bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

verwarmen: iets warm maken
Deel verwarmen — standaardnederlands.nl