warmlopen
werkwoordBetekenis
- door activiteit die warmte vrijmaakt een te hoge temperatuur bereiken
- door activiteit die warmte vrijmaakt de juiste bedrijfstemperatuur bereiken.
- ~ voor enthousiast worden
- zich ~: door enige tijd hard te lopen het lichaam op een voor sport geschikte temperatuur brengen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van warmlopen
warmlopenhele werkwoord — liep warmverleden tijd enkelvoud — liepen warmverleden tijd meervoud — warmgelopenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | loop warm | liep warm |
| jij | loopt warm | liep warm |
| hij, zij, het | loopt warm | liep warm |
| wij | lopen warm | liepen warm |
| jullie | lopen warm | liepen warm |
| zij | lopen warm | liepen warm |
Alle 87 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had warmgelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had warmgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had warmgelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden warmgelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden warmgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden warmgelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt warmgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb warmgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben warmgelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben warmgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben warmgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben warmgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt warmgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft warmgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft warmgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| liep warm | verleden tijd |
| loop u/je warm, loopt je warm | gebiedende wijs |
| loop warm | gebiedende wijs |
| te hebben warmgelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen warmlopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| warm te lopen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| warm te zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| warm zal lopen | bijzin, toekomende tijd |
| warm zou lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| warm zouden lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| warm zoudt lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| warm zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| warm zullen lopen | bijzin, toekomende tijd |
| warm zult lopen | bijzin, toekomende tijd |
| warmgelopen | verleden tijd, deelwoord |
| warmgelopen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| warmgelopen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| warmliep | bijzin, verleden tijd |
| warmliepen | bijzin, verleden tijd |
| warmloop | bijzin, tegenwoordige tijd |
| warmloopt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| warmlopend | onvoltooid, deelwoord |
| zal me warmlopen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal warmgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal warmgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal warmgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal warmlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal warmlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal warmlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal warmlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zal zich warmlopen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je warmlopen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich warmgelopen hebben | verleden tijd |
| zich warmlopend | onvoltooid, deelwoord |
| zou warmgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou warmgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou warmgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou warmlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou warmlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou warmlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou warmlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) warmlopen warm zou(dt) lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden warmgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden warmgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden warmgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden warmlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden warmlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden warmlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden warmlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt warmgelopen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt warmlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt warmlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen je warmlopen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons warmlopen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen warmgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen warmgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen warmgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen warmlopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen warmlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen warmlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen warmlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen warmlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen zich warmlopen | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u warmlopen | tweede persoon |
| zult u warmlopen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult warmgelopen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult warmlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult warmlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zult zich/u warmlopen | tweede persoon |
| zult zich/u warmlopen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult/zal warmlopen warm zult/zal lopen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van warm en lopen
Woordfamilie van warmlopen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| liep warm | verleden tijd | warmlopen |
| liepen warm | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | warmlopen |
| loop warm | gebiedende wijs | warmlopen |
| loopt warm | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | warmlopen |
| lope warm | woordvorm | warmlopen |
| lopen warm | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | warmlopen |
| warmgelopen | voltooid deelwoord | warmlopen |
| warmliep | subordinate-clause, verleden tijd | warmlopen |
| warmliepen | subordinate-clause, verleden tijd | warmlopen |
| warmloop | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | warmlopen |
| warmloopt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | warmlopen |
| warmlope | with-subordinate-clause | warmlopen |
| warmlopend | onvoltooid deelwoord | warmlopen |
| warmlopende | woordvorm | warmlopen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van warmlopen zijn vastgelegd.