vriezen
werkwoord ˈvrizə(n)Betekenis
- het heersen van een temperatuur waarbij water kristalliseert tot ijs
Hoe spreek je vriezen uit?
/ˈvrizən/
Vriezen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| r | rood |
| i | riet |
| z | zon |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van vriezen
vriezenhele werkwoord — vroorverleden tijd enkelvoud — vrorenverleden tijd meervoud — bevrorenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vries | vroor |
| jij | vriest | vroor |
| hij, zij, het | vriest | vroor |
| wij | vriezen | vroren |
| jullie | vriezen | vroren |
| zij | vriezen | vroren |
Alle 100 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief, voltooid |
| ben bevroren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent bevroren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bevroren | verleden tijd, deelwoord |
| bevroren te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bevroren te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| bevroren te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bevroren te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bevroren te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| bevroren worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bevroren zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| bevroren zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bevroren zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| bevroren zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| er is bevroren | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was bevroren | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd bevroren | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt bevroren | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal bevroren worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal bevroren zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou bevroren worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou bevroren zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gevroren | verleden tijd, deelwoord |
| gevroren | aanvoegende wijs |
| hebben bevroren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| is bevroren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is bevroren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben/zijn bevroren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vriezen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vriezen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vries | gebiedende wijs |
| vriezend | onvoltooid, deelwoord |
| vroor | verleden tijd |
| waart bevroren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bevroren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren bevroren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren bevroren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was bevroren | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was bevroren | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was bevroren | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd bevroren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd bevroren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd bevroren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden bevroren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden bevroren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden bevroren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt bevroren | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word bevroren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden bevroren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden bevroren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden bevroren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt bevroren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt bevroren | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal bevroren worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bevroren worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal bevroren zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal bevroren zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vriezen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vriezen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vriezen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn bevroren | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn bevroren | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn bevroren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn bevroren | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt bevroren | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou bevroren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bevroren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou bevroren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bevroren zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou bevroren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou bevroren zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vriezen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vriezen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vriezen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden bevroren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden bevroren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden bevroren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden bevroren zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden bevroren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden bevroren zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vriezen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vriezen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vriezen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt bevroren worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt bevroren zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vriezen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen bevroren worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen bevroren worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen bevroren worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen bevroren zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen bevroren zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen bevroren zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vriezen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vriezen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vriezen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vriezen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult bevroren worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult bevroren zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vriezen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘het heersen van vorst’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van vriezen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gevroren | voltooid deelwoord | vriezen |
| vriest | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vriezen |
| vrieze | woordvorm | vriezen |
| vroor | verleden tijd | vriezen |
| vroren | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vriezen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vriezen zijn vastgelegd.