voeg
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een overgang tussen twee materialen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| voegen | meervoud |
| voegje | verkleinwoord, enkelvoud |
| voegjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van voegen
- gebiedende wijs van voegen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van voegen
Vervoeging van voeg
voeghele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘naad waar stenen bijeenkomen’ voor het eerst aangetroffen in 1522
Woordfamilie van voeg
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| voegje | verkleinwoord | voeg |
| voegjes | verkleinwoord meervoud | voeg |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voeg zijn vastgelegd.