verzolen
werkwoordBetekenis
- de zool van een schoen vervangen
- het loopvlak van een autoband vervangen
Vervoeging van verzolen
verzolenhele werkwoord — verzooldeverleden tijd enkelvoud — verzooldenverleden tijd meervoud — verzooldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verzool | verzoolde |
| jij | verzoolt | verzoolde |
| hij, zij, het | verzoolt | verzoolde |
| wij | verzolen | verzoolden |
| jullie | verzolen | verzoolden |
| zij | verzolen | verzoolden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verzoold | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verzoold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verzoold | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verzoold | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verzoold | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verzoold | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verzoold worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verzoold zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verzoold worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verzoold zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verzoold | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verzoold | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verzoold | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verzoold | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verzoold | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verzoold | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verzoold | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verzoold | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verzoold | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verzoold | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verzoold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verzoold | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verzoold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verzoold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verzoold | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verzoold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verzoold | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verzoold | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verzolen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verzolen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzole | aanvoegende wijs |
| verzolend | onvoltooid, deelwoord |
| verzool | gebiedende wijs |
| verzoold | verleden tijd, deelwoord |
| verzoold te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verzoold te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verzoold te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzoold te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzoold te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verzoold worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verzoold zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verzoold zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verzoold zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verzoold zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verzoolde | verleden tijd |
| waart verzoold | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verzoold | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verzoold | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verzoold | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verzoold | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verzoold | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verzoold | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verzoold | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verzoold | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verzoold | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verzoold | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verzoold | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verzoold | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verzoold | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verzoold | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verzoold | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verzoold | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verzoold | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verzoold | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verzoold | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verzolen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verzolen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verzolen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verzoold hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verzoold hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verzoold hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verzoold worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verzoold worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verzoold zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verzoold zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn verzoold | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verzoold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verzoold | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verzoold | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verzolen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verzolen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verzolen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verzoold hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verzoold hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verzoold hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verzoold worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verzoold worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verzoold worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verzoold zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verzoold zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verzoold zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verzolen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verzolen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verzolen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verzoold hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verzoold hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verzoold hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verzoold worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verzoold worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verzoold worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verzoold zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verzoold zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verzoold zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verzolen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verzoold hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verzoold worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verzoold zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen verzolen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verzolen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verzolen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verzolen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen verzoold hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verzoold hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verzoold hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verzoold worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verzoold worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verzoold worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verzoold zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verzoold zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verzoold zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult verzolen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult verzoold hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verzoold worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verzoold zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van zool met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verzolen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verzole | aanvoegende wijs | verzolen |
| verzolend | onvoltooid deelwoord | verzolen |
| verzolende | woordvorm | verzolen |
| verzool | gebiedende wijs | verzolen |
| verzoold | voltooid deelwoord | verzolen |
| verzoolde | verleden tijd | verzolen |
| verzoolden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verzolen |
| verzoolt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verzolen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verzolen zijn vastgelegd.