verschillen
werkwoord, zelfstandig naamwoord vərˈsxɪlə(n)Betekenis
- in bepaalde opzichten niet hetzelfde zijn
Hoe spreek je verschillen uit?
/vərˈsxɪlən/
Verschillen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| s | sok |
| x | acht |
| ɪ | pit |
| l | land |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van verschillen
verschillenhele werkwoord — verschildeverleden tijd enkelvoud — verschildenverleden tijd meervoud — verschildvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verschil | verschilde |
| jij | verschilt | verschilde |
| hij, zij, het | verschilt | verschilde |
| wij | verschillen | verschilden |
| jullie | verschillen | verschilden |
| zij | verschillen | verschilden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had verschild | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verschild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verschild | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verschild | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verschild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verschild | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verschild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verschild | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verschild | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verschild | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verschild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verschild | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verschild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verschild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verschild | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verschild | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verschillen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verschillen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verschil | gebiedende wijs |
| verschild | verleden tijd, deelwoord |
| verschild te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verschild zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verschilde | verleden tijd |
| verschille | aanvoegende wijs |
| verschillend | onvoltooid, deelwoord |
| zal verschild hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verschild hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verschild hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verschillen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verschillen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verschillen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou verschild hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verschild hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verschild hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verschillen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verschillen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verschillen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verschild hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verschild hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verschild hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verschillen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verschillen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verschillen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verschild hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verschillen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verschild hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verschild hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verschild hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verschillen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verschillen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verschillen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verschillen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verschild hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verschillen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord verschil
Herkomst
afgeleid van schillen met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verschillen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verschild | voltooid deelwoord | verschillen |
| verschilde | verleden tijd | verschillen |
| verschilden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verschillen |
| verschille | aanvoegende wijs | verschillen |
| verschilt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verschillen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verschillen zijn vastgelegd.