chillen
werkwoord /ˈtʃɪlə(n)/Betekenis
- tot rust komen, ontspannen
Hoe spreek je chillen uit?
/ˈtʃɪlən/
Chillen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ʃ | sjaal |
| ɪ | pit |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van chillen
chillenhele werkwoord — childeverleden tijd enkelvoud — childenverleden tijd meervoud — gechildvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | chil | childe |
| jij | chilt | childe |
| hij, zij, het | chilt | childe |
| wij | chillen | childen |
| jullie | chillen | childen |
| zij | chillen | childen |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| chil | gebiedende wijs |
| childe | verleden tijd |
| chille | aanvoegende wijs |
| chillend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| gechild | verleden tijd, deelwoord |
| gechild te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gechild zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gechild | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gechild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gechild | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gechild | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gechild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gechild | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gechild | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gechild | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gechild | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gechild | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gechild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gechild | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gechild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gechild | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gechild | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te chillen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gechild | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen chillen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal chillen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal chillen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal chillen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal gechild hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gechild hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gechild hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou chillen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou chillen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou chillen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou gechild hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gechild hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gechild hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden chillen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden chillen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden chillen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden gechild hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gechild hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gechild hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt chillen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt gechild hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen chillen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen chillen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen chillen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen chillen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen gechild hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gechild hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gechild hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult chillen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult gechild hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
van het Engels 'to chill' afkoelen, eind jaren 1980 en in de jaren 1990 in het bijzonder gebruikt voor uitrusten na het dansen op dancemuziek, zie vindplaats hieronder. In 2000 ook algemener van aard.
Woordfamilie van chillen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| chil | gebiedende wijs | chillen |
| childe | verleden tijd | chillen |
| childen | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | chillen |
| chillend | onvoltooid deelwoord | chillen |
| chillende | woordvorm | chillen |
| chilt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | chillen |
| gechild | voltooid deelwoord | chillen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van chillen zijn vastgelegd.