willen
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈβɪ.lən/Betekenis
- iets als verlangen of voorkeur hebben
- iets wensen te bezitten
- drukt een verzoek uit
- gezegd van iets (een verhaal e.d.) dat de rondte doet
- mogelijk zijn, kunnen
- lukken
- zullen
Hoe spreek je willen uit?
/ˈβɪlən/
Willen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɪ | pit |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- iets wensen te bezitten of verbruiken transitive
- de rondte doen (gezegd van een gerucht, verhaal e.d.) impersonal, transitive
Vervoeging van willen
willenhele werkwoord — gewildvoltooid deelwoord
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord wil
Herkomst
In de betekenis van ‘wensen’ voor het eerst aangetroffen in 901
Woordfamilie van willen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| willend | woordvorm | willen |
| willende | woordvorm | willen |
| wou | woordvorm | willen |
| woudt | woordvorm | willen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van willen zijn vastgelegd.