vereenvoudigen
werkwoord vəreɱˈvɑudəɣə(n)Betekenis
- eenvoudiger maken
Hoe spreek je vereenvoudigen uit?
/vəremˈvɑudəxən/
Vereenvoudigen bestaat uit vijf lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| e | veel |
| m | maan |
| ɑu | koud |
| d | dak |
| x | acht |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van vereenvoudigen
vereenvoudigenhele werkwoord — vereenvoudigdeverleden tijd enkelvoud — vereenvoudigdenverleden tijd meervoud — vereenvoudigdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vereenvoudig | vereenvoudigde |
| jij | vereenvoudigt | vereenvoudigde |
| hij, zij, het | vereenvoudigt | vereenvoudigde |
| wij | vereenvoudigen | vereenvoudigden |
| jullie | vereenvoudigen | vereenvoudigden |
| zij | vereenvoudigen | vereenvoudigden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben vereenvoudigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent vereenvoudigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is vereenvoudigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was vereenvoudigd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd vereenvoudigd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt vereenvoudigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal vereenvoudigd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal vereenvoudigd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou vereenvoudigd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou vereenvoudigd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had vereenvoudigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vereenvoudigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vereenvoudigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vereenvoudigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vereenvoudigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vereenvoudigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vereenvoudigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vereenvoudigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vereenvoudigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vereenvoudigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vereenvoudigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vereenvoudigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vereenvoudigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vereenvoudigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vereenvoudigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is vereenvoudigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is vereenvoudigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben vereenvoudigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vereenvoudigen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vereenvoudigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vereenvoudig | gebiedende wijs |
| vereenvoudigd | verleden tijd, deelwoord |
| vereenvoudigd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vereenvoudigd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vereenvoudigd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vereenvoudigd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vereenvoudigd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vereenvoudigd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vereenvoudigd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vereenvoudigd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vereenvoudigd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vereenvoudigd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vereenvoudigde | verleden tijd |
| vereenvoudige | aanvoegende wijs |
| vereenvoudigend | onvoltooid, deelwoord |
| waart vereenvoudigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vereenvoudigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren vereenvoudigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vereenvoudigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was vereenvoudigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was vereenvoudigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was vereenvoudigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd vereenvoudigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd vereenvoudigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd vereenvoudigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden vereenvoudigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden vereenvoudigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden vereenvoudigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt vereenvoudigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word vereenvoudigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden vereenvoudigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden vereenvoudigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden vereenvoudigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt vereenvoudigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt vereenvoudigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal vereenvoudigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vereenvoudigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vereenvoudigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vereenvoudigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vereenvoudigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal vereenvoudigd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vereenvoudigd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vereenvoudigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vereenvoudigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vereenvoudigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn vereenvoudigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn vereenvoudigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn vereenvoudigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt vereenvoudigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou vereenvoudigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vereenvoudigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vereenvoudigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vereenvoudigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vereenvoudigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou vereenvoudigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vereenvoudigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vereenvoudigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vereenvoudigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vereenvoudigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vereenvoudigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vereenvoudigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden vereenvoudigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vereenvoudigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vereenvoudigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vereenvoudigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vereenvoudigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vereenvoudigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vereenvoudigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vereenvoudigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vereenvoudigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vereenvoudigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vereenvoudigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vereenvoudigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt vereenvoudigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vereenvoudigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vereenvoudigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vereenvoudigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen vereenvoudigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vereenvoudigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vereenvoudigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vereenvoudigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vereenvoudigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vereenvoudigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vereenvoudigd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vereenvoudigd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vereenvoudigd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vereenvoudigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vereenvoudigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vereenvoudigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vereenvoudigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult vereenvoudigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vereenvoudigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vereenvoudigd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vereenvoudigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van eenvoudig met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van vereenvoudigen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vereenvoudig | gebiedende wijs | vereenvoudigen |
| vereenvoudigd | voltooid deelwoord | vereenvoudigen |
| vereenvoudigde | verleden tijd | vereenvoudigen |
| vereenvoudigden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vereenvoudigen |
| vereenvoudige | aanvoegende wijs | vereenvoudigen |
| vereenvoudigend | onvoltooid deelwoord | vereenvoudigen |
| vereenvoudigende | woordvorm | vereenvoudigen |
| vereenvoudigt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vereenvoudigen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vereenvoudigen zijn vastgelegd.