vendel
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- vaandel
- een onder een vaandel staande compagnie voetvolk
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vendelen | meervoud |
| vendels | meervoud |
| vendeltje | verkleinwoord, enkelvoud |
| vendeltjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vendelen
- gebiedende wijs van vendelen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vendelen
Vervoeging van vendel
vendelhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘vlag’ voor het eerst aangetroffen in 1556
Woordfamilie van vendel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vendels | meervoud | vendel |
| vendeltje | verkleinwoord | vendel |
| vendeltjes | verkleinwoord meervoud | vendel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vendel zijn vastgelegd.