Naar de inhoud

uitstijgen

uitsteken boven

uitstijgen

werkwoord

Betekenis

  1. uitsteken boven
  2. uitstappen

Vervoeging van uitstijgen

uitstijgenhele werkwoord — steeg uitverleden tijd enkelvoud — stegen uitverleden tijd meervoud — uitgestegenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik stijg uit steeg uit
jij stijgt uit steeg uit
hij, zij, het stijgt uit steeg uit
wij stijgen uit stegen uit
jullie stijgen uit stegen uit
zij stijgen uit stegen uit
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben uitgestegen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgestegen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is uitgestegen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgestegen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
steeg uit verleden tijd
stijg uit gebiedende wijs
te zijn uitgestegen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitstijgen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te stijgen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen stijgen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal stijgen bijzin, toekomende tijd
uit zou stijgen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden stijgen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt stijgen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen stijgen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen stijgen bijzin, toekomende tijd
uit zult stijgen bijzin, toekomende tijd
uitgestegen verleden tijd, deelwoord
uitgestegen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgestegen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitsteeg bijzin, verleden tijd
uitstegen bijzin, verleden tijd
uitstijg bijzin, tegenwoordige tijd
uitstijgend onvoltooid, deelwoord
uitstijgt bijzin, tegenwoordige tijd
waart uitgestegen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgestegen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgestegen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgestegen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgestegen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgestegen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgestegen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal uitgestegen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgestegen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgestegen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitstijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitstijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitstijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitstijgen bijzin, toekomende tijd
zijn uitgestegen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn uitgestegen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgestegen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgestegen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgestegen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgestegen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgestegen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgestegen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitstijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitstijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitstijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitstijgen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitstijgen uit zou(dt) stijgen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgestegen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgestegen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgestegen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitstijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitstijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitstijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitstijgen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgestegen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitstijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitstijgen bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgestegen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgestegen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgestegen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitstijgen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitstijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitstijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitstijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitstijgen bijzin, toekomende tijd
zult uitgestegen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitstijgen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitstijgen bijzin, toekomende tijd
zult/zal uitstijgen uit zult/zal stijgen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van uit en stijgen

Woordfamilie van uitstijgen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
steeg uit verleden tijd uitstijgen
stegen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitstijgen
stijg uit gebiedende wijs uitstijgen
stijge uit woordvorm uitstijgen
stijgen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitstijgen
stijgt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitstijgen
uitgestegen voltooid deelwoord uitstijgen
uitsteeg subordinate-clause, verleden tijd uitstijgen
uitstegen subordinate-clause, verleden tijd uitstijgen
uitstijg subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitstijgen
uitstijge with-subordinate-clause uitstijgen
uitstijgend onvoltooid deelwoord uitstijgen
uitstijgende woordvorm uitstijgen
uitstijgt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitstijgen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitstijgen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over uitstijgen

Wat is de betekenis van uitstijgen?
Uitstijgen is een werkwoord. De betekenis is: uitsteken boven. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik uitstijgen?
Zo vervoeg je uitstijgen zo: het voltooid deelwoord is uitgestegen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitstijgen is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. S 2
  5. T 2
  6. I 1
  7. J 4
  8. G 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitstijgen levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. S 2
  5. T 2
  6. I 2
  7. J 4
  8. G 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 21 zonder bonus
  12. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (J) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitstijgen in het kort

uitstijgen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van uitstijgen staan er 46 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitstijgen bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitstijgen: uitsteken boven
Deel uitstijgen — standaardnederlands.nl