uitstijgen
werkwoordBetekenis
- uitsteken boven
- uitstappen
Vervoeging van uitstijgen
uitstijgenhele werkwoord — steeg uitverleden tijd enkelvoud — stegen uitverleden tijd meervoud — uitgestegenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stijg uit | steeg uit |
| jij | stijgt uit | steeg uit |
| hij, zij, het | stijgt uit | steeg uit |
| wij | stijgen uit | stegen uit |
| jullie | stijgen uit | stegen uit |
| zij | stijgen uit | stegen uit |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben uitgestegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgestegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is uitgestegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgestegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| steeg uit | verleden tijd |
| stijg uit | gebiedende wijs |
| te zijn uitgestegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitstijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te stijgen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen stijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal stijgen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou stijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden stijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt stijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen stijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen stijgen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult stijgen | bijzin, toekomende tijd |
| uitgestegen | verleden tijd, deelwoord |
| uitgestegen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgestegen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitsteeg | bijzin, verleden tijd |
| uitstegen | bijzin, verleden tijd |
| uitstijg | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitstijgend | onvoltooid, deelwoord |
| uitstijgt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| waart uitgestegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgestegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgestegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgestegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgestegen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgestegen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgestegen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal uitgestegen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgestegen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgestegen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitstijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitstijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitstijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitstijgen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgestegen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn uitgestegen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgestegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgestegen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgestegen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgestegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgestegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgestegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitstijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitstijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitstijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitstijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitstijgen uit zou(dt) stijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgestegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgestegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgestegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitstijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitstijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitstijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitstijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgestegen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitstijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitstijgen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgestegen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgestegen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgestegen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitstijgen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitstijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitstijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitstijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitstijgen | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgestegen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitstijgen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uitstijgen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal uitstijgen uit zult/zal stijgen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van uit en stijgen
Woordfamilie van uitstijgen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| steeg uit | verleden tijd | uitstijgen |
| stegen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitstijgen |
| stijg uit | gebiedende wijs | uitstijgen |
| stijge uit | woordvorm | uitstijgen |
| stijgen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitstijgen |
| stijgt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitstijgen |
| uitgestegen | voltooid deelwoord | uitstijgen |
| uitsteeg | subordinate-clause, verleden tijd | uitstijgen |
| uitstegen | subordinate-clause, verleden tijd | uitstijgen |
| uitstijg | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitstijgen |
| uitstijge | with-subordinate-clause | uitstijgen |
| uitstijgend | onvoltooid deelwoord | uitstijgen |
| uitstijgende | woordvorm | uitstijgen |
| uitstijgt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitstijgen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitstijgen zijn vastgelegd.