uittreden
werkwoordBetekenis
- een -met name religieuze- gemeenschap voorgoed verlaten
- niet langer deelnemen aan een vennootschap
- zich terugtrekken uit de arbeidsmarkt
- met de geest het lichaam tijdelijk verlaten
Vervoeging van uittreden
uittredenhele werkwoord — trad uitverleden tijd enkelvoud — traden uitverleden tijd meervoud — uitgetredenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | treed uit | trad uit |
| jij | treedt uit | trad uit |
| hij, zij, het | treedt uit | trad uit |
| wij | treden uit | traden uit |
| jullie | treden uit | traden uit |
| zij | treden uit | traden uit |
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben uitgetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is uitgetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn uitgetreden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uittreden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| trad uit | verleden tijd |
| treed uit | gebiedende wijs |
| uit te treden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen treden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal treden | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou treden | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden treden | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt treden | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen treden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen treden | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult treden | bijzin, toekomende tijd |
| uitgetreden | verleden tijd, deelwoord |
| uitgetreden te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgetreden zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uittrad | bijzin, verleden tijd |
| uittraden | bijzin, verleden tijd |
| uittradt | bijzin, verleden tijd |
| uittredend | onvoltooid, deelwoord |
| uittreed | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uittreedt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| waart uitgetreden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgetreden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgetreden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgetreden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgetreden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgetreden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgetreden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal uitgetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uittreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uittreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uittreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uittreden | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgetreden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn uitgetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgetreden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uittreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uittreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uittreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uittreden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uittreden uit zou(dt) treden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uittreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uittreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uittreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uittreden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgetreden zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uittreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uittreden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uittreden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uittreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uittreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uittreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uittreden | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgetreden zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uittreden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uittreden | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal uittreden uit zult/zal treden | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van uit bw en treden ww
Woordfamilie van uittreden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| trad uit | verleden tijd | uittreden |
| traden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uittreden |
| trede uit | woordvorm | uittreden |
| treden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uittreden |
| treed uit | gebiedende wijs | uittreden |
| treedt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uittreden |
| uitgetreden | voltooid deelwoord | uittreden |
| uittrad | subordinate-clause, verleden tijd | uittreden |
| uittraden | subordinate-clause, verleden tijd | uittreden |
| uittrede | with-subordinate-clause | uittreden |
| uittredend | onvoltooid deelwoord | uittreden |
| uittredende | woordvorm | uittreden |
| uittreed | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uittreden |
| uittreedt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uittreden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uittreden zijn vastgelegd.