Naar de inhoud

uittreden

een -met name religieuze- gemeenschap voorgoed verlaten

uittreden

werkwoord

Betekenis

  1. een -met name religieuze- gemeenschap voorgoed verlaten
  2. niet langer deelnemen aan een vennootschap
  3. zich terugtrekken uit de arbeidsmarkt
  4. met de geest het lichaam tijdelijk verlaten

Vervoeging van uittreden

uittredenhele werkwoord — trad uitverleden tijd enkelvoud — traden uitverleden tijd meervoud — uitgetredenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik treed uit trad uit
jij treedt uit trad uit
hij, zij, het treedt uit trad uit
wij treden uit traden uit
jullie treden uit traden uit
zij treden uit traden uit
Alle 76 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben uitgetreden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgetreden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is uitgetreden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgetreden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te zijn uitgetreden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uittreden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
trad uit verleden tijd
treed uit gebiedende wijs
uit te treden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen treden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal treden bijzin, toekomende tijd
uit zou treden bijzin, voorwaardelijk
uit zouden treden bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt treden bijzin, voorwaardelijk
uit zullen treden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen treden bijzin, toekomende tijd
uit zult treden bijzin, toekomende tijd
uitgetreden verleden tijd, deelwoord
uitgetreden te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgetreden zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uittrad bijzin, verleden tijd
uittraden bijzin, verleden tijd
uittradt bijzin, verleden tijd
uittredend onvoltooid, deelwoord
uittreed bijzin, tegenwoordige tijd
uittreedt bijzin, tegenwoordige tijd
waart uitgetreden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgetreden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgetreden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgetreden voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgetreden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgetreden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgetreden voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal uitgetreden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgetreden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgetreden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uittreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uittreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uittreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uittreden bijzin, toekomende tijd
zijn uitgetreden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn uitgetreden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgetreden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgetreden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgetreden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgetreden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgetreden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgetreden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uittreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uittreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uittreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uittreden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uittreden uit zou(dt) treden bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgetreden zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgetreden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgetreden zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uittreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uittreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uittreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uittreden bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgetreden zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uittreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uittreden bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgetreden zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgetreden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgetreden zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uittreden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uittreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uittreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uittreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uittreden bijzin, toekomende tijd
zult uitgetreden zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uittreden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uittreden bijzin, toekomende tijd
zult/zal uittreden uit zult/zal treden bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van uit bw en treden ww

Woordfamilie van uittreden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
trad uit verleden tijd uittreden
traden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uittreden
trede uit woordvorm uittreden
treden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uittreden
treed uit gebiedende wijs uittreden
treedt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uittreden
uitgetreden voltooid deelwoord uittreden
uittrad subordinate-clause, verleden tijd uittreden
uittraden subordinate-clause, verleden tijd uittreden
uittrede with-subordinate-clause uittreden
uittredend onvoltooid deelwoord uittreden
uittredende woordvorm uittreden
uittreed subordinate-clause, tegenwoordige tijd uittreden
uittreedt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uittreden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uittreden zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uittreden

Wat is de betekenis van uittreden?
Uittreden is een werkwoord. De betekenis is: een -met name religieuze- gemeenschap voorgoed verlaten. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik uittreden?
Zo vervoeg je uittreden zo: het voltooid deelwoord is uitgetreden. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uittreden is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. T 2
  5. R 2
  6. E 1
  7. D 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uittreden levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 57 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. T 2
  5. R 2
  6. E 1
  7. D 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 15 zonder bonus
  11. 57 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (U) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uittreden in het kort

uittreden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van uittreden staan er 48 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uittreden bij een woordfamilie van 14 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uittreden: een -met name religieuze- gemeenschap voorgoed verlaten
Deel uittreden — standaardnederlands.nl