uitgaan
werkwoord ˈœytxanBetekenis
- ophouden met branden
- klaar zijn met school en weg mogen
- naar de bar, disco of restaurant gaan
- naar buiten gaan
- ~ van: als vertrekpunt van een redenering nemen
- ~ van: zijn oorsprong vinden
- ~ naar als focus van de gedachten dienen
- ervan ~ dat: veronderstellen dat iets waar is
- uitgaan met: het beëindigen van een liefdes relatie
Hoe spreek je uitgaan uit?
/ˈœytxan/
Uitgaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| x | acht |
| a | maan |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- uitgevaardigd worden impersonal, intransitive
Vervoeging van uitgaan
uitgaanhele werkwoord — ging uitverleden tijd enkelvoud — gingen uitverleden tijd meervoud — uitgegaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ga uit | ging uit |
| jij | gaat uit | ging uit |
| hij, zij, het | gaat uit | ging uit |
| wij | gaan uit | gingen uit |
| jullie | gaan uit | gingen uit |
| zij | gaan uit | gingen uit |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| ga uit | gebiedende wijs |
| ging uit | verleden tijd |
| had uitgegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitgaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te gaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal gaan | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen gaan | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult gaan | bijzin, toekomende tijd |
| uitga | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitgaand | onvoltooid, deelwoord |
| uitgaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitgegaan | verleden tijd, deelwoord |
| uitgegaan te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgegaan zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitging | bijzin, verleden tijd |
| uitgingen | bijzin, verleden tijd |
| zal uitgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitgaan | bijzin, toekomende tijd |
| zal uitgegaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgegaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgegaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou uitgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitgaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zou uitgegaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgegaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgegaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) uitgaan uit zou(dt) gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitgaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgegaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgegaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgegaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt uitgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitgaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgegaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen uitgaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitgaan | bijzin, toekomende tijd |
| zullen uitgegaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgegaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgegaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult uitgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uitgaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgegaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal uitgaan uit zult/zal gaan | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van uit bw en gaan ww
Woordfamilie van uitgaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ga uit | gebiedende wijs | uitgaan |
| gaan uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitgaan |
| gaat uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitgaan |
| ging uit | verleden tijd | uitgaan |
| gingen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitgaan |
| uitga | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitgaan |
| uitgaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitgaan |
| uitgegaan | voltooid deelwoord | uitgaan |
| uitging | subordinate-clause, verleden tijd | uitgaan |
| uitgingen | subordinate-clause, verleden tijd | uitgaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitgaan zijn vastgelegd.