Naar de inhoud

uitgaan

ophouden met branden

uitgaan

werkwoord ˈœytxan

Betekenis

  1. ophouden met branden
  2. klaar zijn met school en weg mogen
  3. naar de bar, disco of restaurant gaan
  4. naar buiten gaan
  5. ~ van: als vertrekpunt van een redenering nemen
  6. ~ van: zijn oorsprong vinden
  7. ~ naar als focus van de gedachten dienen
  8. ervan ~ dat: veronderstellen dat iets waar is
  9. uitgaan met: het beëindigen van een liefdes relatie

Hoe spreek je uitgaan uit?

/ˈœytxan/

Uitgaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈœytxan/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
œy huis
t tak
x acht
a maan
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. uitgevaardigd worden impersonal, intransitive

Vervoeging van uitgaan

uitgaanhele werkwoord — ging uitverleden tijd enkelvoud — gingen uitverleden tijd meervoud — uitgegaanvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ga uit ging uit
jij gaat uit ging uit
hij, zij, het gaat uit ging uit
wij gaan uit gingen uit
jullie gaan uit gingen uit
zij gaan uit gingen uit
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
ga uit gebiedende wijs
ging uit verleden tijd
had uitgegaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgegaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgegaan voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgegaan voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgegaan voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgegaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgegaan voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben uitgegaan actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitgaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te gaan actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen gaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal gaan bijzin, toekomende tijd
uit zou gaan bijzin, voorwaardelijk
uit zouden gaan bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt gaan bijzin, voorwaardelijk
uit zullen gaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen gaan bijzin, toekomende tijd
uit zult gaan bijzin, toekomende tijd
uitga bijzin, tegenwoordige tijd
uitgaand onvoltooid, deelwoord
uitgaat bijzin, tegenwoordige tijd
uitgegaan verleden tijd, deelwoord
uitgegaan te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgegaan zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitging bijzin, verleden tijd
uitgingen bijzin, verleden tijd
zal uitgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitgaan bijzin, toekomende tijd
zal uitgegaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgegaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgegaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zou uitgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitgaan bijzin, voorwaardelijk
zou uitgegaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgegaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgegaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) uitgaan uit zou(dt) gaan bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitgaan bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgegaan hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgegaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgegaan hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt uitgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitgaan bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgegaan hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen uitgaan actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitgaan bijzin, toekomende tijd
zullen uitgegaan hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgegaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgegaan hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult uitgaan aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitgaan bijzin, toekomende tijd
zult uitgegaan hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult/zal uitgaan uit zult/zal gaan bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van uit bw en gaan ww

Woordfamilie van uitgaan

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ga uit gebiedende wijs uitgaan
gaan uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitgaan
gaat uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitgaan
ging uit verleden tijd uitgaan
gingen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitgaan
uitga subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitgaan
uitgaat subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitgaan
uitgegaan voltooid deelwoord uitgaan
uitging subordinate-clause, verleden tijd uitgaan
uitgingen subordinate-clause, verleden tijd uitgaan

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitgaan zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over uitgaan

Hoe spreek ik uitgaan uit?
Zo spreek je uitgaan uit: /ˈœytxan/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van uitgaan?
Uitgaan is een werkwoord. De betekenis is: ophouden met branden. In totaal staan er 10 betekenissen.
Hoe vervoeg ik uitgaan?
Zo vervoeg je uitgaan zo: het voltooid deelwoord is uitgegaan. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op uitgaan?

Er staan 3 woorden in dit woordenboek die op uitgaan rijmen, waaronder achteruitgaan, vooruitgaan en onderuitgaan. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op uitgaan, uitspraak ˈœytxan, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
achteruitgaan 4
vooruitgaan 3
onderuitgaan 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitgaan is 13 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. G 3
  5. A 1
  6. A 1
  7. N 1
  8. 13 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitgaan levert met Wordfeud minimaal 12 en maximaal 94 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. G 3
  5. A 1
  6. A 1
  7. N 1
  8. 12 zonder bonus
  9. 94 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (G) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

uitgaan telt 7 letters, waarvan 6 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

uitgaan in het kort

uitgaan staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 10 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van uitgaan staan er 45 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitgaan bij een woordfamilie van 10 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitgaan: ophouden met branden
Deel uitgaan — standaardnederlands.nl