Naar de inhoud

uitkomen

naar buiten komen

uitkomen

werkwoord

Betekenis

  1. naar buiten komen
  2. in druk verschijnen (bijvoorbeeld van tijdschriften)
  3. tevoorschijn komen, uitlopen (bijvoorbeeld van knoppen van planten)
  4. (bij eieren) opengaan, opengebroken worden door het jong
  5. het bekend worden van (slechte) dingen
  6. iets als resultaat hebben; iets bereiken
  7. rondkomen
  8. gelegen komen
  9. deelnemen aan iets

werkwoord

  1. verschijnen (bijvoorbeeld van tijdschriften) ergative
  2. opengaan, opengebroken worden door het jong ergative
  3. kloppen
  4. afsteken tegen
  5. ~ voor bekennen

Vervoeging van uitkomen

uitkomenhele werkwoord — kwam uitverleden tijd enkelvoud — kwamen uitverleden tijd meervoud — uitgekomenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik kom uit kwam uit
jij komt uit kwaamt uit
hij, zij, het komt uit kwam uit
wij komen uit kwamen uit
jullie komen uit kwamen uit
zij komen uit kwamen uit
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had uitgekomen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgekomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgekomen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgekomen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgekomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgekomen voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgekomen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgekomen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgekomen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
kom uit gebiedende wijs
kwam uit verleden tijd
te hebben uitgekomen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitkomen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te komen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen komen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal komen bijzin, toekomende tijd
uit zou komen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden komen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt komen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen komen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen komen bijzin, toekomende tijd
uit zult komen bijzin, toekomende tijd
uitgekomen verleden tijd, deelwoord
uitgekomen te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgekomen zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitkom bijzin, tegenwoordige tijd
uitkomend onvoltooid, deelwoord
uitkomt bijzin, tegenwoordige tijd
uitkwaamt bijzin, verleden tijd
uitkwam bijzin, verleden tijd
uitkwamen bijzin, verleden tijd
zal uitgekomen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgekomen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgekomen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitkomen bijzin, toekomende tijd
zou uitgekomen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgekomen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgekomen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitkomen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitkomen uit zou(dt) komen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgekomen hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgekomen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgekomen hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitkomen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgekomen hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitkomen bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgekomen hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgekomen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgekomen hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitkomen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitkomen bijzin, toekomende tijd
zult uitgekomen hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitkomen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitkomen bijzin, toekomende tijd
zult/zal uitkomen uit zult/zal komen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van uit bw en komen ww

Woordfamilie van uitkomen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
kom uit gebiedende wijs uitkomen
kome uit woordvorm uitkomen
komen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitkomen
komt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitkomen
kwam uit verleden tijd uitkomen
kwamen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitkomen
uitgekomen voltooid deelwoord uitkomen
uitkom subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitkomen
uitkome with-subordinate-clause uitkomen
uitkomt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitkomen
uitkwam subordinate-clause, verleden tijd uitkomen
uitkwamen subordinate-clause, verleden tijd uitkomen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitkomen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over uitkomen

Wat is de betekenis van uitkomen?
Uitkomen is een werkwoord. De betekenis is: naar buiten komen. In totaal staan er 14 betekenissen.
Hoe vervoeg ik uitkomen?
Zo vervoeg je uitkomen zo: het voltooid deelwoord is uitgekomen. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitkomen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. K 3
  5. O 1
  6. M 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitkomen levert met Wordfeud minimaal 15 en maximaal 63 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. K 3
  5. O 1
  6. M 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 zonder bonus
  10. 63 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (K) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitkomen in het kort

uitkomen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 14 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van uitkomen staan er 47 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitkomen bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitkomen: naar buiten komen
Deel uitkomen — standaardnederlands.nl