uitkomen
werkwoordBetekenis
- naar buiten komen
- in druk verschijnen (bijvoorbeeld van tijdschriften)
- tevoorschijn komen, uitlopen (bijvoorbeeld van knoppen van planten)
- (bij eieren) opengaan, opengebroken worden door het jong
- het bekend worden van (slechte) dingen
- iets als resultaat hebben; iets bereiken
- rondkomen
- gelegen komen
- deelnemen aan iets
werkwoord
- verschijnen (bijvoorbeeld van tijdschriften) ergative
- opengaan, opengebroken worden door het jong ergative
- kloppen
- afsteken tegen
- ~ voor bekennen
Vervoeging van uitkomen
uitkomenhele werkwoord — kwam uitverleden tijd enkelvoud — kwamen uitverleden tijd meervoud — uitgekomenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kom uit | kwam uit |
| jij | komt uit | kwaamt uit |
| hij, zij, het | komt uit | kwam uit |
| wij | komen uit | kwamen uit |
| jullie | komen uit | kwamen uit |
| zij | komen uit | kwamen uit |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgekomen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgekomen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgekomen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgekomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgekomen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kom uit | gebiedende wijs |
| kwam uit | verleden tijd |
| te hebben uitgekomen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitkomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te komen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen komen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal komen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou komen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden komen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt komen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen komen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen komen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult komen | bijzin, toekomende tijd |
| uitgekomen | verleden tijd, deelwoord |
| uitgekomen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgekomen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitkom | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitkomend | onvoltooid, deelwoord |
| uitkomt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitkwaamt | bijzin, verleden tijd |
| uitkwam | bijzin, verleden tijd |
| uitkwamen | bijzin, verleden tijd |
| zal uitgekomen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgekomen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgekomen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zou uitgekomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgekomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgekomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitkomen uit zou(dt) komen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgekomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgekomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgekomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgekomen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitkomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgekomen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgekomen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgekomen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitkomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgekomen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitkomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uitkomen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal uitkomen uit zult/zal komen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van uit bw en komen ww
Woordfamilie van uitkomen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kom uit | gebiedende wijs | uitkomen |
| kome uit | woordvorm | uitkomen |
| komen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitkomen |
| komt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitkomen |
| kwam uit | verleden tijd | uitkomen |
| kwamen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitkomen |
| uitgekomen | voltooid deelwoord | uitkomen |
| uitkom | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitkomen |
| uitkome | with-subordinate-clause | uitkomen |
| uitkomt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitkomen |
| uitkwam | subordinate-clause, verleden tijd | uitkomen |
| uitkwamen | subordinate-clause, verleden tijd | uitkomen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitkomen zijn vastgelegd.