uitspruiten
werkwoordBetekenis
- als een spruit naar buiten, uit de grond komen
Vervoeging van uitspruiten
uitspruitenhele werkwoord — sproot uitverleden tijd enkelvoud — sproten uitverleden tijd meervoud — uitgesprotenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | spruit uit | sproot uit |
| jij | spruit uit | sproot uit |
| hij, zij, het | spruit uit | sproot uit |
| wij | spruiten uit | sproten uit |
| jullie | spruiten uit | sproten uit |
| zij | spruiten uit | sproten uit |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben uitgesproten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgesproten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is uitgesproten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgesproten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sproot uit | verleden tijd |
| spruit uit | gebiedende wijs |
| te zijn uitgesproten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitspruiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te spruiten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen spruiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal spruiten | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou spruiten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden spruiten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt spruiten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen spruiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen spruiten | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult spruiten | bijzin, toekomende tijd |
| uitgesproten | verleden tijd, deelwoord |
| uitgesproten te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgesproten zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitsproot | bijzin, verleden tijd |
| uitsproten | bijzin, verleden tijd |
| uitspruit | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitspruitend | onvoltooid, deelwoord |
| waart uitgesproten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgesproten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgesproten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgesproten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgesproten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgesproten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgesproten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal uitgesproten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgesproten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgesproten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitspruiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitspruiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitspruiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitspruiten | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgesproten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn uitgesproten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgesproten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgesproten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgesproten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgesproten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgesproten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgesproten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitspruiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitspruiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitspruiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitspruiten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitspruiten uit zou(dt) spruiten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgesproten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgesproten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgesproten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitspruiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitspruiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitspruiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitspruiten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgesproten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitspruiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitspruiten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgesproten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgesproten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgesproten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitspruiten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitspruiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitspruiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitspruiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitspruiten | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgesproten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitspruiten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uitspruiten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal uitspruiten uit zult/zal spruiten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van uit en spruiten
Woordfamilie van uitspruiten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| sproot uit | verleden tijd | uitspruiten |
| sproten uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitspruiten |
| spruit uit | gebiedende wijs | uitspruiten |
| spruite uit | woordvorm | uitspruiten |
| spruiten uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitspruiten |
| uitgesproten | voltooid deelwoord | uitspruiten |
| uitsproot | subordinate-clause, verleden tijd | uitspruiten |
| uitsproten | subordinate-clause, verleden tijd | uitspruiten |
| uitspruit | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitspruiten |
| uitspruite | with-subordinate-clause | uitspruiten |
| uitspruitend | onvoltooid deelwoord | uitspruiten |
| uitspruitende | woordvorm | uitspruiten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitspruiten zijn vastgelegd.