uitschieten
werkwoordBetekenis
- een onbedoelde plotselinge beweging maken
- heftig uitvallen
- (van de wind) plotseling harder worden
- uitlopen, spruiten
- (de bal) het veld intrappen
- door schieten wegnemen
- naar buiten gooien, vieren
werkwoord
- plotseling harder worden
- het veld intrappen transitive
Vervoeging van uitschieten
uitschietenhele werkwoord — schoot uitverleden tijd enkelvoud — schoten uitverleden tijd meervoud — uitgeschotenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schiet uit | schoot uit |
| jij | schiet uit | schoot uit |
| hij, zij, het | schiet uit | schoot uit |
| wij | schieten uit | schoten uit |
| jullie | schieten uit | schoten uit |
| zij | schieten uit | schoten uit |
Alle 81 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is uitgeschoten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgeschoten | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgeschoten | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgeschoten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgeschoten worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgeschoten zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgeschoten worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgeschoten zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgeschoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgeschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgeschoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgeschoten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgeschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgeschoten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgeschoten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgeschoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgeschoten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schiet uit | gebiedende wijs |
| schoot uit | verleden tijd |
| te hebben uitgeschoten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitschieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te schieten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen schieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal schieten | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou schieten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden schieten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt schieten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen schieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen schieten | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult schieten | bijzin, toekomende tijd |
| uitgeschoten | verleden tijd, deelwoord |
| uitgeschoten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgeschoten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitschiet | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitschietend | onvoltooid, deelwoord |
| uitschoot | bijzin, verleden tijd |
| uitschoten | bijzin, verleden tijd |
| zal uitgeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitschieten | bijzin, toekomende tijd |
| zou uitgeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitschieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitschieten uit zou(dt) schieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitschieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgeschoten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitschieten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitschieten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitschieten | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgeschoten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitschieten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uitschieten | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal uitschieten uit zult/zal schieten | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van uit en schieten
Woordfamilie van uitschieten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schiet uit | gebiedende wijs | uitschieten |
| schiete uit | woordvorm | uitschieten |
| schieten uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitschieten |
| schoot uit | verleden tijd | uitschieten |
| schoten uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitschieten |
| uitgeschoten | voltooid deelwoord | uitschieten |
| uitschiet | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitschieten |
| uitschiete | with-subordinate-clause | uitschieten |
| uitschietend | onvoltooid deelwoord | uitschieten |
| uitschietende | woordvorm | uitschieten |
| uitschoot | subordinate-clause, verleden tijd | uitschieten |
| uitschoten | subordinate-clause, verleden tijd | uitschieten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitschieten zijn vastgelegd.