Naar de inhoud

uitschieten

een onbedoelde plotselinge beweging maken

uitschieten

werkwoord

Betekenis

  1. een onbedoelde plotselinge beweging maken
  2. heftig uitvallen
  3. (van de wind) plotseling harder worden
  4. uitlopen, spruiten
  5. (de bal) het veld intrappen
  6. door schieten wegnemen
  7. naar buiten gooien, vieren

werkwoord

  1. plotseling harder worden
  2. het veld intrappen transitive

Vervoeging van uitschieten

uitschietenhele werkwoord — schoot uitverleden tijd enkelvoud — schoten uitverleden tijd meervoud — uitgeschotenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schiet uit schoot uit
jij schiet uit schoot uit
hij, zij, het schiet uit schoot uit
wij schieten uit schoten uit
jullie schieten uit schoten uit
zij schieten uit schoten uit
Alle 81 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is uitgeschoten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgeschoten impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgeschoten impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgeschoten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgeschoten worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgeschoten zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgeschoten worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgeschoten zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgeschoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgeschoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgeschoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgeschoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgeschoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgeschoten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgeschoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
schiet uit gebiedende wijs
schoot uit verleden tijd
te hebben uitgeschoten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitschieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te schieten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen schieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal schieten bijzin, toekomende tijd
uit zou schieten bijzin, voorwaardelijk
uit zouden schieten bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt schieten bijzin, voorwaardelijk
uit zullen schieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen schieten bijzin, toekomende tijd
uit zult schieten bijzin, toekomende tijd
uitgeschoten verleden tijd, deelwoord
uitgeschoten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgeschoten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitschiet bijzin, tegenwoordige tijd
uitschietend onvoltooid, deelwoord
uitschoot bijzin, verleden tijd
uitschoten bijzin, verleden tijd
zal uitgeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitschieten bijzin, toekomende tijd
zou uitgeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitschieten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitschieten uit zou(dt) schieten bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitschieten bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgeschoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitschieten bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitschieten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitschieten bijzin, toekomende tijd
zult uitgeschoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitschieten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitschieten bijzin, toekomende tijd
zult/zal uitschieten uit zult/zal schieten bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van uit en schieten

Woordfamilie van uitschieten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
schiet uit gebiedende wijs uitschieten
schiete uit woordvorm uitschieten
schieten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitschieten
schoot uit verleden tijd uitschieten
schoten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitschieten
uitgeschoten voltooid deelwoord uitschieten
uitschiet subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitschieten
uitschiete with-subordinate-clause uitschieten
uitschietend onvoltooid deelwoord uitschieten
uitschietende woordvorm uitschieten
uitschoot subordinate-clause, verleden tijd uitschieten
uitschoten subordinate-clause, verleden tijd uitschieten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitschieten zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over uitschieten

Wat betekent uitschieten?
Uitschieten is een werkwoord. Het woord betekent: een onbedoelde plotselinge beweging maken. Deze pagina beschrijft 9 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je uitschieten?
Je vervoegt uitschieten als volgt: het voltooid deelwoord is uitgeschoten. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitschieten is 24 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. S 2
  5. C 5
  6. H 4
  7. I 1
  8. E 1
  9. T 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 24 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitschieten levert met Wordfeud minimaal 24 en maximaal 102 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. S 2
  5. C 5
  6. H 4
  7. I 2
  8. E 1
  9. T 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 24 zonder bonus
  13. 102 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitschieten in het kort

uitschieten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 9 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van uitschieten zijn 51 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uitschieten bij een woordfamilie van 12 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uitschieten: een onbedoelde plotselinge beweging maken
Deel uitschieten — standaardnederlands.nl