losspringen
werkwoordBetekenis
- door springen los- en opengaan
Vervoeging van losspringen
losspringenhele werkwoord — sprong losverleden tijd enkelvoud — sprongen losverleden tijd meervoud — losgesprongenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | spring los | sprong los |
| jij | springt los | sprong los |
| hij, zij, het | springt los | sprong los |
| wij | springen los | sprongen los |
| jullie | springen los | sprongen los |
| zij | springen los | sprongen los |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben losgesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent losgesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is losgesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is losgesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| los te springen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| los te zullen springen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| los zal springen | bijzin, toekomende tijd |
| los zou springen | bijzin, voorwaardelijk |
| los zouden springen | bijzin, voorwaardelijk |
| los zoudt springen | bijzin, voorwaardelijk |
| los zullen springen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| los zullen springen | bijzin, toekomende tijd |
| los zult springen | bijzin, toekomende tijd |
| losgesprongen | verleden tijd, deelwoord |
| losgesprongen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| losgesprongen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| losspring | bijzin, tegenwoordige tijd |
| losspringend | onvoltooid, deelwoord |
| losspringt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| lossprong | bijzin, verleden tijd |
| lossprongen | bijzin, verleden tijd |
| spring los | gebiedende wijs |
| sprong los | verleden tijd |
| te zijn losgesprongen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen losspringen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart losgesprongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren losgesprongen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren losgesprongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren losgesprongen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was losgesprongen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was losgesprongen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was losgesprongen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal losgesprongen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal losgesprongen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal losgesprongen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal losspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal losspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal losspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal losspringen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn losgesprongen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn losgesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn losgesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn losgesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt losgesprongen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou losgesprongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou losgesprongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou losgesprongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou losspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou losspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou losspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou losspringen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) losspringen los zou(dt) springen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden losgesprongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden losgesprongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden losgesprongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden losspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden losspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden losspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden losspringen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt losgesprongen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt losspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt losspringen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen losgesprongen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen losgesprongen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen losgesprongen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen losspringen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen losspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen losspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen losspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen losspringen | bijzin, toekomende tijd |
| zult losgesprongen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult losspringen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult losspringen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal losspringen los zult/zal springen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van los en springen
Woordfamilie van losspringen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| losgesprongen | voltooid deelwoord | losspringen |
| losspring | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | losspringen |
| losspringe | with-subordinate-clause | losspringen |
| losspringend | onvoltooid deelwoord | losspringen |
| losspringende | woordvorm | losspringen |
| losspringt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | losspringen |
| lossprong | subordinate-clause, verleden tijd | losspringen |
| lossprongen | subordinate-clause, verleden tijd | losspringen |
| spring los | gebiedende wijs | losspringen |
| springe los | woordvorm | losspringen |
| springen los | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | losspringen |
| springt los | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | losspringen |
| sprong los | verleden tijd | losspringen |
| sprongen los | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | losspringen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van losspringen zijn vastgelegd.