Naar de inhoud

pauzeren

een pauze houden

pauzeren

werkwoord

Betekenis

  1. een pauze houden
  2. even stoppen met een bezigheid

Vervoeging van pauzeren

pauzerenhele werkwoord — pauzeerdeverleden tijd enkelvoud — pauzeerdenverleden tijd meervoud — gepauzeerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik pauzeer pauzeerde
jij pauzeert pauzeerde
hij, zij, het pauzeert pauzeerde
wij pauzeren pauzeerden
jullie pauzeren pauzeerden
zij pauzeren pauzeerden
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
gepauzeerd verleden tijd, deelwoord
gepauzeerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gepauzeerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gepauzeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gepauzeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gepauzeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gepauzeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gepauzeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gepauzeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gepauzeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gepauzeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gepauzeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gepauzeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gepauzeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gepauzeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gepauzeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gepauzeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gepauzeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
pauzeer gebiedende wijs
pauzeerde verleden tijd
pauzere aanvoegende wijs
pauzerend onvoltooid, deelwoord
te hebben gepauzeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te pauzeren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen pauzeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gepauzeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gepauzeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gepauzeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal pauzeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal pauzeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal pauzeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gepauzeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gepauzeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gepauzeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou pauzeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou pauzeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou pauzeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gepauzeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gepauzeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gepauzeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden pauzeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden pauzeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden pauzeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gepauzeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt pauzeren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gepauzeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gepauzeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gepauzeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen pauzeren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen pauzeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen pauzeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen pauzeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gepauzeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult pauzeren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordfamilie van pauzeren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gepauzeerd voltooid deelwoord pauzeren
pauzeer gebiedende wijs pauzeren
pauzeerde verleden tijd pauzeren
pauzeerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon pauzeren
pauzeert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon pauzeren
pauzere aanvoegende wijs pauzeren
pauzerend onvoltooid deelwoord pauzeren
pauzerende woordvorm pauzeren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pauzeren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over pauzeren

Wat is de betekenis van pauzeren?
Pauzeren is een werkwoord. De betekenis is: een pauze houden. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik pauzeren?
Zo vervoeg je pauzeren zo: de tegenwoordige tijd is pauzeer, de verleden tijd is pauzeerde en het voltooid deelwoord is gepauzeerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord pauzeren is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. P 3
  2. A 1
  3. U 4
  4. Z 4
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

pauzeren levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. P 4
  2. A 1
  3. U 2
  4. Z 5
  5. E 1
  6. R 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 zonder bonus
  10. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

pauzeren in het kort

pauzeren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van pauzeren staan er 32 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort pauzeren bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

pauzeren: een pauze houden
Deel pauzeren — standaardnederlands.nl