Naar de inhoud

uitrukken

door snel te trekken losmaken

uitrukken

werkwoord

Betekenis

  1. door snel te trekken losmaken
  2. massaal de gewoonlijke standplaats verlaten
  3. tweede betekenisomschrijving
  4. enz.

Vervoeging van uitrukken

uitrukkenhele werkwoord — rukte uitverleden tijd enkelvoud — rukten uitverleden tijd meervoud — uitgeruktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik ruk uit rukte uit
jij rukt uit rukte uit
hij, zij, het rukt uit rukte uit
wij rukken uit rukten uit
jullie rukken uit rukten uit
zij rukken uit rukten uit
Alle 118 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief, voltooid
ben uitgerukt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgerukt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgerukt impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid
er was uitgerukt impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid
er werd uitgerukt impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid
er wordt uitgerukt impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal uitgerukt worden impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid
er zal uitgerukt zijn impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid
er zou uitgerukt worden impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid
er zou uitgerukt zijn impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid
ev. gebiedende wijs
hebben uitgerukt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
is uitgerukt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgerukt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
ruk uit gebiedende wijs
rukte uit verleden tijd
te hebben/zijn uitgerukt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitrukken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te rukken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen rukken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal rukken bijzin, toekomende tijd
uit zou rukken bijzin, voorwaardelijk
uit zouden rukken bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt rukken bijzin, voorwaardelijk
uit zullen rukken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen rukken bijzin, toekomende tijd
uit zult rukken bijzin, toekomende tijd
uitgerukt verleden tijd, deelwoord
uitgerukt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgerukt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgerukt te zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgerukt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgerukt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgerukt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgerukt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgerukt zullen hebben/zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgerukt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgerukt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitruk bijzin, tegenwoordige tijd
uitrukkend onvoltooid, deelwoord
uitrukt bijzin, tegenwoordige tijd
uitrukte bijzin, verleden tijd
uitrukten bijzin, verleden tijd
waart uitgerukt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgerukt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgerukt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgerukt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgerukt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgerukt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgerukt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgerukt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgerukt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgerukt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgerukt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgerukt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgerukt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgerukt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgerukt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgerukt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgerukt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgerukt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgerukt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgerukt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgerukt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgerukt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgerukt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgerukt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitrukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitrukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitrukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitrukken bijzin, toekomende tijd
zijn uitgerukt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn uitgerukt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgerukt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgerukt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgerukt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgerukt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgerukt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgerukt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgerukt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgerukt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgerukt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitrukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitrukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitrukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitrukken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitrukken uit zou(dt) rukken bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgerukt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgerukt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgerukt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgerukt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgerukt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgerukt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitrukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitrukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitrukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitrukken bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgerukt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgerukt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitrukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitrukken bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgerukt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgerukt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgerukt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgerukt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgerukt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgerukt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitrukken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitrukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitrukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitrukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitrukken bijzin, toekomende tijd
zult uitgerukt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitgerukt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitrukken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitrukken bijzin, toekomende tijd
zult/zal uitrukken uit zult/zal rukken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van uit bw en rukken ww

Woordfamilie van uitrukken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
ruk uit gebiedende wijs uitrukken
rukke uit woordvorm uitrukken
rukken uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitrukken
rukt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitrukken
rukte uit verleden tijd uitrukken
rukten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitrukken
uitgerukt voltooid deelwoord uitrukken
uitgerukte woordvorm uitrukken
uitruk subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitrukken
uitrukke with-subordinate-clause uitrukken
uitrukkend onvoltooid deelwoord uitrukken
uitrukkende woordvorm uitrukken
uitrukt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitrukken
uitrukte subordinate-clause, verleden tijd uitrukken
uitrukten subordinate-clause, verleden tijd uitrukken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitrukken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitrukken

Wat betekent uitrukken?
Uitrukken is een werkwoord. Het woord betekent: door snel te trekken losmaken. Deze pagina beschrijft 4 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je uitrukken?
Je vervoegt uitrukken als volgt: het voltooid deelwoord is uitgerukt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitrukken is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. R 2
  5. U 4
  6. K 3
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitrukken levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. R 2
  5. U 2
  6. K 3
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (K) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitrukken in het kort

uitrukken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 4 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van uitrukken zijn 76 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uitrukken bij een woordfamilie van 15 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uitrukken: door snel te trekken losmaken
Deel uitrukken — standaardnederlands.nl