uitkienen
werkwoordBetekenis
- zorgvuldig uitzoeken, uitpluizen
Vervoeging van uitkienen
uitkienenhele werkwoord — kiende uitverleden tijd enkelvoud — kienden uitverleden tijd meervoud — uitgekiendvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kien uit | kiende uit |
| jij | kient uit | kiende uit |
| hij, zij, het | kient uit | kiende uit |
| wij | kienen uit | kienden uit |
| jullie | kienen uit | kienden uit |
| zij | kienen uit | kienden uit |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgekiend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgekiend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgekiend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgekiend | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgekiend | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgekiend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgekiend worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgekiend zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgekiend worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgekiend zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgekiend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgekiend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgekiend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgekiend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgekiend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgekiend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgekiend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgekiend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgekiend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgekiend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgekiend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgekiend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgekiend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgekiend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgekiend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgekiend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgekiend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kien uit | gebiedende wijs |
| kiende uit | verleden tijd |
| te hebben uitgekiend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitkienen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te kienen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen kienen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal kienen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou kienen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden kienen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt kienen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen kienen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen kienen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult kienen | bijzin, toekomende tijd |
| uitgekiend | verleden tijd, deelwoord |
| uitgekiend te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgekiend te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgekiend te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgekiend te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgekiend te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgekiend worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgekiend zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgekiend zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgekiend zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgekiend zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitkien | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitkiende | bijzin, verleden tijd |
| uitkienden | bijzin, verleden tijd |
| uitkienend | onvoltooid, deelwoord |
| uitkient | bijzin, tegenwoordige tijd |
| waart uitgekiend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgekiend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgekiend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgekiend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgekiend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgekiend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgekiend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgekiend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgekiend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgekiend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgekiend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgekiend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgekiend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgekiend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgekiend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgekiend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgekiend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgekiend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgekiend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgekiend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgekiend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgekiend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgekiend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgekiend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgekiend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgekiend zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgekiend zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitkienen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitkienen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitkienen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitkienen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgekiend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgekiend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgekiend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgekiend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgekiend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgekiend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgekiend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgekiend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgekiend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgekiend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgekiend zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgekiend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgekiend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitkienen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitkienen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitkienen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitkienen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitkienen uit zou(dt) kienen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgekiend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgekiend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgekiend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgekiend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgekiend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgekiend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgekiend zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgekiend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgekiend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitkienen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitkienen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitkienen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitkienen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgekiend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgekiend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgekiend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitkienen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitkienen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgekiend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgekiend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgekiend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgekiend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgekiend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgekiend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgekiend zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgekiend zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgekiend zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitkienen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitkienen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitkienen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitkienen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitkienen | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgekiend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uit bw en kienen ww
Woordfamilie van uitkienen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kien uit | gebiedende wijs | uitkienen |
| kiende uit | verleden tijd | uitkienen |
| kienden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitkienen |
| kiene uit | woordvorm | uitkienen |
| kienen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitkienen |
| kient uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitkienen |
| uitkien | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitkienen |
| uitkiende | subordinate-clause, verleden tijd | uitkienen |
| uitkienden | subordinate-clause, verleden tijd | uitkienen |
| uitkiene | with-subordinate-clause | uitkienen |
| uitkienend | onvoltooid deelwoord | uitkienen |
| uitkienende | woordvorm | uitkienen |
| uitkient | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitkienen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitkienen zijn vastgelegd.