Naar de inhoud

uitdijen

meer of groter worden, toenemen

uitdijen

werkwoord /ˈœydɛiə(n)/

Betekenis

  1. meer of groter worden, toenemen
  2. in omvang toenemen, aangroeien
  3. dikker worden, opzwellen
  4. zich ~ in omvang toenemen

Hoe spreek je uitdijen uit?

/ˈœydɛiən/

Uitdijen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈœydɛiən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
œy huis
d dak
ɛi trein
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van uitdijen

uitdijenhele werkwoord — dijde uitverleden tijd enkelvoud — dijden uitverleden tijd meervoud — uitgedijdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik dij uit dijde uit
jij dijt uit dijde uit
hij, zij, het dijt uit dijde uit
wij dijen uit dijden uit
jullie dijen uit dijden uit
zij dijen uit dijden uit
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben uitgedijd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgedijd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
dij u/je uit, dijt je uit gebiedende wijs
dij uit gebiedende wijs
dijde uit verleden tijd
ev. gebiedende wijs
is uitgedijd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgedijd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te zijn uitgedijd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitdijen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te dijen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen dijen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal dijen bijzin, toekomende tijd
uit zou dijen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden dijen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt dijen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen dijen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen dijen bijzin, toekomende tijd
uit zult dijen bijzin, toekomende tijd
uitdij bijzin, tegenwoordige tijd
uitdijde bijzin, verleden tijd
uitdijden bijzin, verleden tijd
uitdijend onvoltooid, deelwoord
uitdijt bijzin, tegenwoordige tijd
uitgedijd verleden tijd, deelwoord
uitgedijd te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgedijd zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
waart uitgedijd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgedijd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgedijd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgedijd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgedijd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgedijd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgedijd voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal me uitdijen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal uitdijen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitdijen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitdijen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitdijen bijzin, toekomende tijd
zal uitgedijd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgedijd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgedijd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal zich uitdijen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je uitdijen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich uitdijend onvoltooid, deelwoord
zich uitgedijd hebben verleden tijd
zijn uitgedijd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn uitgedijd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgedijd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgedijd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgedijd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitdijen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitdijen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitdijen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitdijen bijzin, voorwaardelijk
zou uitgedijd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgedijd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgedijd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) uitdijen uit zou(dt) dijen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitdijen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitdijen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitdijen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitdijen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgedijd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgedijd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgedijd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt uitdijen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitdijen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgedijd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen je uitdijen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons uitdijen eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen uitdijen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitdijen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitdijen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitdijen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitdijen bijzin, toekomende tijd
zullen uitgedijd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgedijd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgedijd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen zich uitdijen derde persoon, toekomende tijd, meervoud
zult u uitdijen tweede persoon
zult u uitdijen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zult uitdijen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitdijen bijzin, toekomende tijd
zult uitgedijd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult zich/u uitdijen tweede persoon
zult zich/u uitdijen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zult/zal uitdijen uit zult/zal dijen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van uit bw en dijen ww

Woordfamilie van uitdijen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
dij uit gebiedende wijs uitdijen
dijde uit verleden tijd uitdijen
dijden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitdijen
dije uit woordvorm uitdijen
dijen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitdijen
dijt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitdijen
uitdij subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitdijen
uitdijde subordinate-clause, verleden tijd uitdijen
uitdijden subordinate-clause, verleden tijd uitdijen
uitdije with-subordinate-clause uitdijen
uitdijend onvoltooid deelwoord uitdijen
uitdijende woordvorm uitdijen
uitdijt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitdijen
uitgedijd voltooid deelwoord uitdijen
uitgedijde woordvorm uitdijen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitdijen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over uitdijen

Hoe spreek ik uitdijen uit?
Zo spreek je uitdijen uit: /ˈœydɛiə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van uitdijen?
Uitdijen is een werkwoord. De betekenis is: meer of groter worden, toenemen. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik uitdijen?
Zo vervoeg je uitdijen zo: het voltooid deelwoord is uitgedijd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitdijen is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. D 2
  5. I 1
  6. J 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitdijen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. D 2
  5. I 2
  6. J 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 zonder bonus
  10. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (J) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitdijen in het kort

uitdijen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van uitdijen staan er 57 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitdijen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitdijen: meer of groter worden, toenemen
Deel uitdijen — standaardnederlands.nl