uitdijen
werkwoord /ˈœydɛiə(n)/Betekenis
- meer of groter worden, toenemen
- in omvang toenemen, aangroeien
- dikker worden, opzwellen
- zich ~ in omvang toenemen
Hoe spreek je uitdijen uit?
/ˈœydɛiən/
Uitdijen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| d | dak |
| ɛi | trein |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van uitdijen
uitdijenhele werkwoord — dijde uitverleden tijd enkelvoud — dijden uitverleden tijd meervoud — uitgedijdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | dij uit | dijde uit |
| jij | dijt uit | dijde uit |
| hij, zij, het | dijt uit | dijde uit |
| wij | dijen uit | dijden uit |
| jullie | dijen uit | dijden uit |
| zij | dijen uit | dijden uit |
Alle 88 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben uitgedijd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgedijd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| dij u/je uit, dijt je uit | gebiedende wijs |
| dij uit | gebiedende wijs |
| dijde uit | verleden tijd |
| ev. | gebiedende wijs |
| is uitgedijd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgedijd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te zijn uitgedijd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitdijen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te dijen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen dijen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal dijen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou dijen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden dijen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt dijen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen dijen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen dijen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult dijen | bijzin, toekomende tijd |
| uitdij | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitdijde | bijzin, verleden tijd |
| uitdijden | bijzin, verleden tijd |
| uitdijend | onvoltooid, deelwoord |
| uitdijt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitgedijd | verleden tijd, deelwoord |
| uitgedijd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgedijd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| waart uitgedijd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgedijd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgedijd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgedijd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgedijd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgedijd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgedijd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal me uitdijen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal uitdijen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitdijen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitdijen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitdijen | bijzin, toekomende tijd |
| zal uitgedijd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgedijd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgedijd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zich uitdijen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je uitdijen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich uitdijend | onvoltooid, deelwoord |
| zich uitgedijd hebben | verleden tijd |
| zijn uitgedijd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn uitgedijd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgedijd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgedijd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgedijd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitdijen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitdijen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitdijen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitdijen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou uitgedijd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgedijd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgedijd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) uitdijen uit zou(dt) dijen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitdijen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitdijen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitdijen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitdijen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgedijd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgedijd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgedijd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt uitdijen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitdijen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgedijd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen je uitdijen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons uitdijen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen uitdijen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitdijen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitdijen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitdijen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitdijen | bijzin, toekomende tijd |
| zullen uitgedijd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgedijd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgedijd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zich uitdijen | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u uitdijen | tweede persoon |
| zult u uitdijen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult uitdijen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uitdijen | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgedijd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zich/u uitdijen | tweede persoon |
| zult zich/u uitdijen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult/zal uitdijen uit zult/zal dijen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van uit bw en dijen ww
Woordfamilie van uitdijen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dij uit | gebiedende wijs | uitdijen |
| dijde uit | verleden tijd | uitdijen |
| dijden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitdijen |
| dije uit | woordvorm | uitdijen |
| dijen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitdijen |
| dijt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitdijen |
| uitdij | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitdijen |
| uitdijde | subordinate-clause, verleden tijd | uitdijen |
| uitdijden | subordinate-clause, verleden tijd | uitdijen |
| uitdije | with-subordinate-clause | uitdijen |
| uitdijend | onvoltooid deelwoord | uitdijen |
| uitdijende | woordvorm | uitdijen |
| uitdijt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitdijen |
| uitgedijd | voltooid deelwoord | uitdijen |
| uitgedijde | woordvorm | uitdijen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitdijen zijn vastgelegd.