Naar de inhoud

vermeerderen

in getal doen toenemen of laten toenemen

vermeerderen

werkwoord

Betekenis

  1. in getal doen toenemen of laten toenemen
  2. in getal toenemen

Vervoeging van vermeerderen

vermeerderenhele werkwoord — vermeerderdeverleden tijd enkelvoud — vermeerderdenverleden tijd meervoud — vermeerderdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vermeerder vermeerderde
jij vermeerdert vermeerderde
hij, zij, het vermeerdert vermeerderde
wij vermeerderen vermeerderden
jullie vermeerderen vermeerderden
zij vermeerderen vermeerderden
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben vermeerderd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent vermeerderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is vermeerderd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was vermeerderd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd vermeerderd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt vermeerderd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal vermeerderd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal vermeerderd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou vermeerderd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou vermeerderd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had vermeerderd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had vermeerderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had vermeerderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden vermeerderd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden vermeerderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden vermeerderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt vermeerderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb vermeerderd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vermeerderd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben vermeerderd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben vermeerderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben vermeerderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt vermeerderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vermeerderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft vermeerderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is vermeerderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is vermeerderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben vermeerderd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te vermeerderen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen vermeerderen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vermeerder gebiedende wijs
vermeerder me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
vermeerder u/je , vermeerdert je gebiedende wijs
vermeerderd verleden tijd, deelwoord
vermeerderd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vermeerderd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
vermeerderd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vermeerderd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vermeerderd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
vermeerderd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
vermeerderd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
vermeerderd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vermeerderd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
vermeerderd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
vermeerderde verleden tijd
vermeerderde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
vermeerderde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
vermeerderde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
vermeerderde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
vermeerderde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
vermeerderde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
vermeerderde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
vermeerderden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
vermeerderden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
vermeerderden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
vermeerdere aanvoegende wijs
vermeerdere zich aanvoegende wijs
vermeerderen je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
vermeerderen ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
vermeerderen zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
vermeerderend onvoltooid, deelwoord
vermeerdert je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
vermeerdert u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
vermeerdert u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
vermeerdert zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
vermeerdert zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
vermeerdert zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
waart vermeerderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren vermeerderd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren vermeerderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren vermeerderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was vermeerderd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was vermeerderd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was vermeerderd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd vermeerderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd vermeerderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd vermeerderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden vermeerderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden vermeerderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden vermeerderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt vermeerderd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word vermeerderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden vermeerderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden vermeerderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden vermeerderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt vermeerderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt vermeerderd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me vermeerderen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal vermeerderd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vermeerderd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal vermeerderd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vermeerderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vermeerderd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal vermeerderd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal vermeerderd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal vermeerderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal vermeerderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal vermeerderen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal zich vermeerderen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je vermeerderen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich vermeerderd hebben verleden tijd
zich vermeerderend onvoltooid, deelwoord
zijn vermeerderd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn vermeerderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn vermeerderd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt vermeerderd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou vermeerderd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vermeerderd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vermeerderd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vermeerderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vermeerderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou vermeerderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vermeerderd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou vermeerderd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou vermeerderd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vermeerderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou vermeerderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou vermeerderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden vermeerderd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden vermeerderd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden vermeerderd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vermeerderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vermeerderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vermeerderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vermeerderd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden vermeerderd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden vermeerderd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vermeerderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vermeerderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vermeerderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt vermeerderd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vermeerderd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vermeerderd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vermeerderen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen je vermeerderen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons vermeerderen eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen vermeerderd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen vermeerderd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Afgeleid van meerderen met het voorvoegsel ver-.

Woordfamilie van vermeerderen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
vermeerder gebiedende wijs vermeerderen
vermeerderd voltooid deelwoord vermeerderen
vermeerderde verleden tijd vermeerderen
vermeerderden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon vermeerderen
vermeerdere aanvoegende wijs vermeerderen
vermeerderend onvoltooid deelwoord vermeerderen
vermeerderende woordvorm vermeerderen
vermeerdert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon vermeerderen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vermeerderen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over vermeerderen

Wat betekent vermeerderen?
Vermeerderen is een werkwoord. Het woord betekent: in getal doen toenemen of laten toenemen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je vermeerderen?
Je vervoegt vermeerderen als volgt: de tegenwoordige tijd is vermeerder, de verleden tijd is vermeerderde en het voltooid deelwoord is vermeerderd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord vermeerderen is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. M 3
  5. E 1
  6. E 1
  7. R 2
  8. D 2
  9. E 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

vermeerderen levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. M 3
  5. E 1
  6. E 1
  7. R 2
  8. D 2
  9. E 1
  10. R 2
  11. E 1
  12. N 1
  13. 21 zonder bonus
  14. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

vermeerderen in het kort

vermeerderen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van vermeerderen zijn 103 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort vermeerderen bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

vermeerderen: in getal doen toenemen of laten toenemen
Deel vermeerderen — standaardnederlands.nl