Naar de inhoud

verruimen

ruimer maken

verruimen

werkwoord

Betekenis

  1. ruimer maken
  2. zich ~ ruimer worden

werkwoord

  1. een regeling voor meer mensen toegankelijk maken

Vervoeging van verruimen

verruimenhele werkwoord — verruimdeverleden tijd enkelvoud — verruimdenverleden tijd meervoud — verruimdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik verruim verruimde
jij verruimt verruimde
hij, zij, het verruimt verruimde
wij verruimen verruimden
jullie verruimen verruimden
zij verruimen verruimden
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben verruimd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent verruimd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is verruimd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was verruimd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd verruimd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt verruimd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal verruimd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal verruimd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou verruimd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou verruimd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had verruimd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had verruimd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had verruimd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden verruimd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden verruimd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden verruimd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt verruimd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb verruimd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben verruimd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben verruimd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben verruimd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben verruimd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt verruimd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft verruimd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft verruimd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is verruimd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is verruimd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben verruimd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te verruimen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen verruimen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verruim gebiedende wijs
verruim me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
verruim u/je , verruimt je gebiedende wijs
verruimd verleden tijd, deelwoord
verruimd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verruimd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verruimd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verruimd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verruimd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verruimd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verruimd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verruimd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verruimd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
verruimd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verruimde verleden tijd
verruimde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
verruimde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
verruimde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
verruimde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
verruimde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
verruimde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
verruimde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
verruimden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
verruimden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
verruimden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
verruime aanvoegende wijs
verruime zich aanvoegende wijs
verruimen je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
verruimen ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
verruimen zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
verruimend onvoltooid, deelwoord
verruimt je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
verruimt u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
verruimt u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
verruimt zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
verruimt zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
verruimt zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
waart verruimd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verruimd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren verruimd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verruimd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was verruimd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was verruimd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was verruimd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd verruimd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd verruimd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd verruimd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden verruimd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden verruimd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden verruimd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt verruimd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word verruimd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden verruimd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden verruimd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden verruimd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt verruimd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt verruimd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me verruimen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal verruimd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verruimd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal verruimd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal verruimd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verruimd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal verruimd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verruimd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal verruimen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal verruimen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal verruimen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal zich verruimen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je verruimen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich verruimd hebben verleden tijd
zich verruimend onvoltooid, deelwoord
zijn verruimd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn verruimd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn verruimd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt verruimd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou verruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou verruimd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verruimd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou verruimd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verruimd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verruimd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verruimd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou verruimen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou verruimen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou verruimen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden verruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden verruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verruimd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden verruimd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden verruimd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verruimd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verruimd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden verruimd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verruimen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden verruimen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden verruimen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt verruimd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verruimd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verruimd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verruimen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen je verruimen tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons verruimen eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen verruimd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen verruimd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

afgeleid van ruimen met het voorvoegsel ver-

Woordfamilie van verruimen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
verruim gebiedende wijs verruimen
verruimd voltooid deelwoord verruimen
verruimde verleden tijd verruimen
verruimden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon verruimen
verruime aanvoegende wijs verruimen
verruimend onvoltooid deelwoord verruimen
verruimende woordvorm verruimen
verruimt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon verruimen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verruimen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over verruimen

Wat is de betekenis van verruimen?
Verruimen is een werkwoord. De betekenis is: ruimer maken. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik verruimen?
Zo vervoeg je verruimen zo: de tegenwoordige tijd is verruim, de verleden tijd is verruimde en het voltooid deelwoord is verruimd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord verruimen is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. R 2
  5. U 4
  6. I 1
  7. M 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

verruimen levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. R 2
  5. U 2
  6. I 2
  7. M 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

verruimen in het kort

verruimen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van verruimen staan er 103 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort verruimen bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

verruimen: ruimer maken
Deel verruimen — standaardnederlands.nl