Naar de inhoud

uitbraken

brakend uitspuwen

uitbraken is meer dan één woord

uitbraken

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. brakend uitspuwen
  2. uiten

Vervoeging van uitbraken

uitbrakenhele werkwoord — braakte uitverleden tijd enkelvoud — braakten uitverleden tijd meervoud — uitgebraaktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik braak uit braakte uit
jij braakt uit braakte uit
hij, zij, het braakt uit braakte uit
wij braken uit braakten uit
jullie braken uit braakten uit
zij braken uit braakten uit
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgebraakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgebraakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
braak uit gebiedende wijs
braakte uit verleden tijd
er is uitgebraakt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgebraakt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgebraakt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgebraakt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgebraakt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgebraakt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgebraakt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgebraakt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgebraakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgebraakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgebraakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgebraakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgebraakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgebraakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgebraakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgebraakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgebraakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgebraakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgebraakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgebraakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgebraakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgebraakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgebraakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgebraakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgebraakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben uitgebraakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitbraken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te braken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen braken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal braken bijzin, toekomende tijd
uit zou braken bijzin, voorwaardelijk
uit zouden braken bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt braken bijzin, voorwaardelijk
uit zullen braken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen braken bijzin, toekomende tijd
uit zult braken bijzin, toekomende tijd
uitbraak bijzin, tegenwoordige tijd
uitbraakt bijzin, tegenwoordige tijd
uitbraakte bijzin, verleden tijd
uitbraakten bijzin, verleden tijd
uitbrakend onvoltooid, deelwoord
uitgebraakt verleden tijd, deelwoord
uitgebraakt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgebraakt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgebraakt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgebraakt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgebraakt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgebraakt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgebraakt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgebraakt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgebraakt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgebraakt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
waart uitgebraakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgebraakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgebraakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgebraakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgebraakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgebraakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgebraakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgebraakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgebraakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgebraakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgebraakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgebraakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgebraakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgebraakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgebraakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgebraakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgebraakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgebraakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgebraakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgebraakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitbraken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitbraken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitbraken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitbraken bijzin, toekomende tijd
zal uitgebraakt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgebraakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgebraakt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgebraakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgebraakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgebraakt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgebraakt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn uitgebraakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgebraakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgebraakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgebraakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitbraken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitbraken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitbraken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitbraken bijzin, voorwaardelijk
zou uitgebraakt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgebraakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgebraakt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgebraakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgebraakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgebraakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgebraakt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgebraakt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgebraakt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) uitbraken uit zou(dt) braken bijzin, voorwaardelijk
zouden uitbraken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitbraken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitbraken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitbraken bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgebraakt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgebraakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgebraakt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgebraakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgebraakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgebraakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgebraakt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgebraakt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgebraakt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt uitbraken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitbraken bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgebraakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgebraakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgebraakt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen uitbraken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitbraken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitbraken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitbraken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitbraken bijzin, toekomende tijd
zullen uitgebraakt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgebraakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgebraakt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgebraakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgebraakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgebraakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgebraakt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgebraakt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgebraakt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult uitbraken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van uitbreken

Vervoeging van uitbraken

uitbrakenhele werkwoord — braakte uitverleden tijd enkelvoud — braakten uitverleden tijd meervoud — uitgebraaktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik braak uit braakte uit
jij braakt uit braakte uit
hij, zij, het braakt uit braakte uit
wij braken uit braakten uit
jullie braken uit braakten uit
zij braken uit braakten uit
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgebraakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgebraakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
braak uit gebiedende wijs
braakte uit verleden tijd
er is uitgebraakt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgebraakt impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgebraakt impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgebraakt impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgebraakt worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgebraakt zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgebraakt worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgebraakt zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgebraakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgebraakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgebraakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgebraakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgebraakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgebraakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgebraakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgebraakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgebraakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgebraakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgebraakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgebraakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgebraakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgebraakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgebraakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgebraakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgebraakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben uitgebraakt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitbraken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te braken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen braken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal braken bijzin, toekomende tijd
uit zou braken bijzin, voorwaardelijk
uit zouden braken bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt braken bijzin, voorwaardelijk
uit zullen braken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen braken bijzin, toekomende tijd
uit zult braken bijzin, toekomende tijd
uitbraak bijzin, tegenwoordige tijd
uitbraakt bijzin, tegenwoordige tijd
uitbraakte bijzin, verleden tijd
uitbraakten bijzin, verleden tijd
uitbrakend onvoltooid, deelwoord
uitgebraakt verleden tijd, deelwoord
uitgebraakt te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgebraakt te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgebraakt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgebraakt te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgebraakt te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgebraakt worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgebraakt zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgebraakt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgebraakt zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgebraakt zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
waart uitgebraakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgebraakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgebraakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgebraakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgebraakt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgebraakt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgebraakt voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgebraakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgebraakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgebraakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgebraakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgebraakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgebraakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgebraakt enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgebraakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgebraakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgebraakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgebraakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgebraakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgebraakt enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitbraken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitbraken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitbraken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitbraken bijzin, toekomende tijd
zal uitgebraakt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgebraakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgebraakt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgebraakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgebraakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgebraakt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgebraakt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn uitgebraakt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgebraakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgebraakt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgebraakt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitbraken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitbraken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitbraken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitbraken bijzin, voorwaardelijk
zou uitgebraakt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgebraakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgebraakt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgebraakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgebraakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgebraakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgebraakt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgebraakt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgebraakt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou(dt) uitbraken uit zou(dt) braken bijzin, voorwaardelijk
zouden uitbraken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitbraken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitbraken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitbraken bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgebraakt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgebraakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgebraakt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgebraakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgebraakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgebraakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgebraakt zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgebraakt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgebraakt zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt uitbraken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitbraken bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgebraakt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgebraakt worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgebraakt zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen uitbraken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitbraken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitbraken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitbraken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitbraken bijzin, toekomende tijd
zullen uitgebraakt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgebraakt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgebraakt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgebraakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgebraakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgebraakt worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgebraakt zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgebraakt zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgebraakt zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult uitbraken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord uitbraak

Herkomst

samenstelling van uit en braken

Woordfamilie van uitbraken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
braak uit gebiedende wijs uitbraken
braakte uit verleden tijd uitbraken
braakten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitbraken
brake uit woordvorm uitbraken
uitbraakte subordinate-clause, verleden tijd uitbraken
uitbraakten subordinate-clause, verleden tijd uitbraken
uitbrake with-subordinate-clause uitbraken
uitbrakend onvoltooid deelwoord uitbraken
uitbrakende woordvorm uitbraken
uitgebraakt voltooid deelwoord uitbraken
uitgebraakte woordvorm uitbraken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitbraken zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over uitbraken

Wat is de betekenis van uitbraken?
Uitbraken is een werkwoord. De betekenis is: brakend uitspuwen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik uitbraken?
Zo vervoeg je uitbraken zo: het voltooid deelwoord is uitgebraakt. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitbraken is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. B 3
  5. R 2
  6. A 1
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitbraken levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. B 4
  5. R 2
  6. A 1
  7. K 3
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (B) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitbraken in het kort

uitbraken is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van uitbraken staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitbraken bij een woordfamilie van 11 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitbraken: brakend uitspuwen
Deel uitbraken — standaardnederlands.nl