uitbraken
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- brakend uitspuwen
- uiten
Vervoeging van uitbraken
uitbrakenhele werkwoord — braakte uitverleden tijd enkelvoud — braakten uitverleden tijd meervoud — uitgebraaktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | braak uit | braakte uit |
| jij | braakt uit | braakte uit |
| hij, zij, het | braakt uit | braakte uit |
| wij | braken uit | braakten uit |
| jullie | braken uit | braakten uit |
| zij | braken uit | braakten uit |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgebraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgebraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| braak uit | gebiedende wijs |
| braakte uit | verleden tijd |
| er is uitgebraakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgebraakt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgebraakt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgebraakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgebraakt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgebraakt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgebraakt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgebraakt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgebraakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgebraakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgebraakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgebraakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgebraakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgebraakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgebraakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgebraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgebraakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgebraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgebraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgebraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgebraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgebraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgebraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgebraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgebraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgebraakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitbraken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te braken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen braken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal braken | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou braken | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden braken | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt braken | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen braken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen braken | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult braken | bijzin, toekomende tijd |
| uitbraak | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitbraakt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitbraakte | bijzin, verleden tijd |
| uitbraakten | bijzin, verleden tijd |
| uitbrakend | onvoltooid, deelwoord |
| uitgebraakt | verleden tijd, deelwoord |
| uitgebraakt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgebraakt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgebraakt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgebraakt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgebraakt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgebraakt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgebraakt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgebraakt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgebraakt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgebraakt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| waart uitgebraakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgebraakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgebraakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgebraakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgebraakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgebraakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgebraakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgebraakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgebraakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgebraakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgebraakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgebraakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgebraakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgebraakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgebraakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgebraakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgebraakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgebraakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgebraakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgebraakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitbraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitbraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitbraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitbraken | bijzin, toekomende tijd |
| zal uitgebraakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgebraakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgebraakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgebraakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgebraakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgebraakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgebraakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn uitgebraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgebraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgebraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgebraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitbraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitbraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitbraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitbraken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou uitgebraakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgebraakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgebraakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgebraakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgebraakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgebraakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgebraakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgebraakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgebraakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) uitbraken uit zou(dt) braken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitbraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitbraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitbraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitbraken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgebraakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgebraakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgebraakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgebraakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgebraakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgebraakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgebraakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgebraakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgebraakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt uitbraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitbraken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgebraakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgebraakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgebraakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen uitbraken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitbraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitbraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitbraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitbraken | bijzin, toekomende tijd |
| zullen uitgebraakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgebraakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgebraakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgebraakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgebraakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgebraakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgebraakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgebraakt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgebraakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult uitbraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van uitbreken
Vervoeging van uitbraken
uitbrakenhele werkwoord — braakte uitverleden tijd enkelvoud — braakten uitverleden tijd meervoud — uitgebraaktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | braak uit | braakte uit |
| jij | braakt uit | braakte uit |
| hij, zij, het | braakt uit | braakte uit |
| wij | braken uit | braakten uit |
| jullie | braken uit | braakten uit |
| zij | braken uit | braakten uit |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgebraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgebraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| braak uit | gebiedende wijs |
| braakte uit | verleden tijd |
| er is uitgebraakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgebraakt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgebraakt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgebraakt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgebraakt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgebraakt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgebraakt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgebraakt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgebraakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgebraakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgebraakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgebraakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgebraakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgebraakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgebraakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgebraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgebraakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgebraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgebraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgebraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgebraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgebraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgebraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgebraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgebraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgebraakt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitbraken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te braken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen braken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal braken | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou braken | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden braken | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt braken | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen braken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen braken | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult braken | bijzin, toekomende tijd |
| uitbraak | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitbraakt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitbraakte | bijzin, verleden tijd |
| uitbraakten | bijzin, verleden tijd |
| uitbrakend | onvoltooid, deelwoord |
| uitgebraakt | verleden tijd, deelwoord |
| uitgebraakt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgebraakt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgebraakt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgebraakt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgebraakt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgebraakt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgebraakt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgebraakt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgebraakt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgebraakt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| waart uitgebraakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgebraakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgebraakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgebraakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgebraakt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgebraakt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgebraakt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgebraakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgebraakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgebraakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgebraakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgebraakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgebraakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgebraakt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgebraakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgebraakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgebraakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgebraakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgebraakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgebraakt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitbraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitbraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitbraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitbraken | bijzin, toekomende tijd |
| zal uitgebraakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgebraakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgebraakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgebraakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgebraakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgebraakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgebraakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn uitgebraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgebraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgebraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgebraakt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitbraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitbraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitbraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitbraken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou uitgebraakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgebraakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgebraakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgebraakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgebraakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgebraakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgebraakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgebraakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgebraakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) uitbraken uit zou(dt) braken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitbraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitbraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitbraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitbraken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgebraakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgebraakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgebraakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgebraakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgebraakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgebraakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgebraakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgebraakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgebraakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt uitbraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitbraken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgebraakt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgebraakt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgebraakt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen uitbraken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitbraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitbraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitbraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitbraken | bijzin, toekomende tijd |
| zullen uitgebraakt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgebraakt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgebraakt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgebraakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgebraakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgebraakt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgebraakt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgebraakt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgebraakt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult uitbraken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord uitbraak
Herkomst
samenstelling van uit en braken
Woordfamilie van uitbraken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| braak uit | gebiedende wijs | uitbraken |
| braakte uit | verleden tijd | uitbraken |
| braakten uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitbraken |
| brake uit | woordvorm | uitbraken |
| uitbraakte | subordinate-clause, verleden tijd | uitbraken |
| uitbraakten | subordinate-clause, verleden tijd | uitbraken |
| uitbrake | with-subordinate-clause | uitbraken |
| uitbrakend | onvoltooid deelwoord | uitbraken |
| uitbrakende | woordvorm | uitbraken |
| uitgebraakt | voltooid deelwoord | uitbraken |
| uitgebraakte | woordvorm | uitbraken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitbraken zijn vastgelegd.