uitbranden
werkwoord ˈœydbrɑndə(n)Betekenis
- zo volledig afbranden dat alleen de muren resten
- met vuur of een gloeiend voorwerp behandelen van wonden
Hoe spreek je uitbranden uit?
/ˈœydbrɑndən/
Uitbranden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| d | dak |
| b | bak |
| r | rood |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van uitbranden
uitbrandenhele werkwoord — brandde uitverleden tijd enkelvoud — brandden uitverleden tijd meervoud — uitgebrandvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | brand uit | brandde uit |
| jij | brandt uit | brandde uit |
| hij, zij, het | brandt uit | brandde uit |
| wij | branden uit | brandden uit |
| jullie | branden uit | brandden uit |
| zij | branden uit | brandden uit |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| brand uit | gebiedende wijs |
| brandde uit | verleden tijd |
| er is uitgebrand | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgebrand | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgebrand | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgebrand | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgebrand worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgebrand zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgebrand worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgebrand zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgebrand | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgebrand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgebrand | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgebrand | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgebrand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgebrand | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgebrand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgebrand | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgebrand | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitbranden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te branden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen branden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal branden | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou branden | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden branden | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt branden | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen branden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen branden | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult branden | bijzin, toekomende tijd |
| uitbrand | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitbrandde | bijzin, verleden tijd |
| uitbrandden | bijzin, verleden tijd |
| uitbrandend | onvoltooid, deelwoord |
| uitbrandt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitgebrand | verleden tijd, deelwoord |
| uitgebrand te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgebrand te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgebrand te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgebrand te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgebrand te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgebrand worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgebrand zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgebrand zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgebrand zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgebrand zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| waart uitgebrand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgebrand | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgebrand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgebrand | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgebrand | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgebrand | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgebrand | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgebrand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgebrand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgebrand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgebrand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgebrand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgebrand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgebrand | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgebrand | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgebrand | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgebrand | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgebrand | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgebrand | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgebrand | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitbranden | bijzin, toekomende tijd |
| zal uitgebrand hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgebrand hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgebrand hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgebrand zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgebrand zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn uitgebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgebrand | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitbranden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou uitgebrand hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgebrand hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgebrand hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgebrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgebrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgebrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) uitbranden uit zou(dt) branden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitbranden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgebrand hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgebrand hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgebrand hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgebrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgebrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgebrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt uitbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitbranden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgebrand hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgebrand zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen uitbranden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitbranden | bijzin, toekomende tijd |
| zullen uitgebrand hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgebrand hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgebrand hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgebrand worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgebrand zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgebrand zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgebrand zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult uitbranden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uit en branden
Woordfamilie van uitbranden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| brand uit | gebiedende wijs | uitbranden |
| brandde uit | verleden tijd | uitbranden |
| brandden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitbranden |
| brande uit | woordvorm | uitbranden |
| branden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitbranden |
| brandt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitbranden |
| uitbrand | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitbranden |
| uitbrandde | subordinate-clause, verleden tijd | uitbranden |
| uitbrandden | subordinate-clause, verleden tijd | uitbranden |
| uitbrande | with-subordinate-clause | uitbranden |
| uitbrandend | onvoltooid deelwoord | uitbranden |
| uitbrandende | woordvorm | uitbranden |
| uitbrandt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitbranden |
| uitgebrand | voltooid deelwoord | uitbranden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitbranden zijn vastgelegd.