kotsen
werkwoord ˈkɔtsə(n)Betekenis
- de maaginhoud via de mond weer naar buiten werken
- speeksel opgeven
Hoe spreek je kotsen uit?
/ˈkɔtsən/
Kotsen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɔ | bot |
| t | tak |
| s | sok |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- mondvocht/speeksel uitspugen
Vervoeging van kotsen
kotsenhele werkwoord — kotsteverleden tijd enkelvoud — kotstenverleden tijd meervoud — gekotstvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kots | kotste |
| jij | kotst | kotste |
| hij, zij, het | kotst | kotste |
| wij | kotsen | kotsten |
| jullie | kotsen | kotsten |
| zij | kotsen | kotsten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gekotst | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gekotst | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gekotst | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gekotst | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gekotst worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gekotst zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gekotst worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gekotst zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gekotst | verleden tijd, deelwoord |
| gekotst te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekotst zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekotst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekotst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekotst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekotst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekotst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekotst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekotst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekotst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekotst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekotst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekotst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekotst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekotst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekotst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekotst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kots | gebiedende wijs |
| kotse | aanvoegende wijs |
| kotsend | onvoltooid, deelwoord |
| kotste | verleden tijd |
| te hebben gekotst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te kotsen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kotsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gekotst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekotst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekotst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kotsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kotsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kotsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gekotst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekotst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekotst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kotsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kotsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kotsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekotst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekotst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekotst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kotsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kotsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kotsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekotst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kotsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekotst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekotst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekotst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kotsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kotsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kotsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kotsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gekotst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult kotsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘braken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1562
Woordfamilie van kotsen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekotst | voltooid deelwoord | kotsen |
| gekotste | woordvorm | kotsen |
| kotse | aanvoegende wijs | kotsen |
| kotsend | onvoltooid deelwoord | kotsen |
| kotsende | woordvorm | kotsen |
| kotst | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | kotsen |
| kotste | verleden tijd | kotsen |
| kotsten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kotsen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kotsen zijn vastgelegd.