uitbraak
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈœydbrakBetekenis
- het plotseling stijgen van een koers op de aandelenmarkt
- het plotseling optreden van een besmettelijke ziekte
- uitbarsting van een vulkaan
- vlucht, ontsnapping
Hoe spreek je uitbraak uit?
/ˈœydbrak/
Uitbraak bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| d | dak |
| b | bak |
| r | rood |
| a | maan |
| k | kat |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| uitbraakje | verkleinwoord, enkelvoud |
| uitbraakjes | verkleinwoord, meervoud |
| uitbraken | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitbraken
Vervoeging van uitbraak
uitbraakhele werkwoord
Woordfamilie van uitbraak
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uitbraakje | verkleinwoord | uitbraak |
| uitbraakjes | verkleinwoord meervoud | uitbraak |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitbraak zijn vastgelegd.