transplanteren
werkwoordBetekenis
- de overzetting van biologisch materiaal naar een andere plaats in het lichaam, of naar een ander lichaam
Vervoeging van transplanteren
transplanterenhele werkwoord — transplanteerdeverleden tijd enkelvoud — transplanteerdenverleden tijd meervoud — getransplanteerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | transplanteer | transplanteerde |
| jij | transplanteert | transplanteerde |
| hij, zij, het | transplanteert | transplanteerde |
| wij | transplanteren | transplanteerden |
| jullie | transplanteren | transplanteerden |
| zij | transplanteren | transplanteerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben getransplanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent getransplanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is getransplanteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was getransplanteerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd getransplanteerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt getransplanteerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal getransplanteerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal getransplanteerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou getransplanteerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou getransplanteerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| getransplanteerd | verleden tijd, deelwoord |
| getransplanteerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| getransplanteerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| getransplanteerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getransplanteerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getransplanteerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getransplanteerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| getransplanteerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| getransplanteerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| getransplanteerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| getransplanteerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getransplanteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getransplanteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getransplanteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getransplanteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getransplanteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getransplanteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getransplanteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getransplanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getransplanteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getransplanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getransplanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getransplanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getransplanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getransplanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getransplanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is getransplanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is getransplanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben getransplanteerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te transplanteren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen transplanteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| transplanteer | gebiedende wijs |
| transplanteerde | verleden tijd |
| transplantere | aanvoegende wijs |
| transplanterend | onvoltooid, deelwoord |
| waart getransplanteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren getransplanteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren getransplanteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren getransplanteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was getransplanteerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was getransplanteerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was getransplanteerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd getransplanteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd getransplanteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd getransplanteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden getransplanteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden getransplanteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden getransplanteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt getransplanteerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word getransplanteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden getransplanteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden getransplanteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden getransplanteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt getransplanteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt getransplanteerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal getransplanteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getransplanteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getransplanteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal getransplanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getransplanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal getransplanteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getransplanteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal transplanteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal transplanteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal transplanteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn getransplanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn getransplanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn getransplanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt getransplanteerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou getransplanteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getransplanteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getransplanteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou getransplanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getransplanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou getransplanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getransplanteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getransplanteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getransplanteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou transplanteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou transplanteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou transplanteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getransplanteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getransplanteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getransplanteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden getransplanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden getransplanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden getransplanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden getransplanteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getransplanteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getransplanteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden transplanteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden transplanteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden transplanteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getransplanteerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt getransplanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt getransplanteerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt transplanteren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getransplanteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getransplanteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getransplanteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen getransplanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen getransplanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen getransplanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen getransplanteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getransplanteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getransplanteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen transplanteren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen transplanteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen transplanteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen transplanteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getransplanteerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult getransplanteerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult getransplanteerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult transplanteren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘overplanten’ voor het eerst aangetroffen in 1824
Woordfamilie van transplanteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| getransplanteerd | voltooid deelwoord | transplanteren |
| getransplanteerde | woordvorm | transplanteren |
| transplanteer | gebiedende wijs | transplanteren |
| transplanteerde | verleden tijd | transplanteren |
| transplanteerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | transplanteren |
| transplanteert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | transplanteren |
| transplantere | aanvoegende wijs | transplanteren |
| transplanterend | onvoltooid deelwoord | transplanteren |
| transplanterende | woordvorm | transplanteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van transplanteren zijn vastgelegd.