Naar de inhoud

implanteren

het in een lichaam aanbrengen van een stof, voorwerp, toestel etc.

implanteren

werkwoord

Betekenis

  1. het in een lichaam aanbrengen van een stof, voorwerp, toestel etc.

Vervoeging van implanteren

implanterenhele werkwoord — implanteerdeverleden tijd enkelvoud — implanteerdenverleden tijd meervoud — geïmplanteerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik implanteer implanteerde
jij implanteert implanteerde
hij, zij, het implanteert implanteerde
wij implanteren implanteerden
jullie implanteren implanteerden
zij implanteren implanteerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geïmplanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geïmplanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geïmplanteerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geïmplanteerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geïmplanteerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geïmplanteerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geïmplanteerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geïmplanteerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geïmplanteerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geïmplanteerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geïmplanteerd verleden tijd, deelwoord
geïmplanteerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geïmplanteerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geïmplanteerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geïmplanteerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geïmplanteerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geïmplanteerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geïmplanteerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geïmplanteerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geïmplanteerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geïmplanteerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geïmplanteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geïmplanteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geïmplanteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geïmplanteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geïmplanteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geïmplanteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geïmplanteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geïmplanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geïmplanteerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geïmplanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geïmplanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geïmplanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geïmplanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geïmplanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geïmplanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
implanteer gebiedende wijs
implanteerde verleden tijd
implantere aanvoegende wijs
implanterend onvoltooid, deelwoord
is geïmplanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geïmplanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben geïmplanteerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te implanteren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen implanteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geïmplanteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geïmplanteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geïmplanteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geïmplanteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geïmplanteerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geïmplanteerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geïmplanteerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geïmplanteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geïmplanteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geïmplanteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geïmplanteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geïmplanteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geïmplanteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geïmplanteerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geïmplanteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geïmplanteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geïmplanteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geïmplanteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geïmplanteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geïmplanteerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal geïmplanteerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geïmplanteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geïmplanteerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geïmplanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geïmplanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geïmplanteerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geïmplanteerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal implanteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal implanteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal implanteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geïmplanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geïmplanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geïmplanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geïmplanteerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geïmplanteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geïmplanteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geïmplanteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geïmplanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geïmplanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geïmplanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geïmplanteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geïmplanteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geïmplanteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou implanteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou implanteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou implanteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geïmplanteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geïmplanteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geïmplanteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geïmplanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geïmplanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geïmplanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geïmplanteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geïmplanteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geïmplanteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden implanteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden implanteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden implanteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geïmplanteerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geïmplanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geïmplanteerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt implanteren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geïmplanteerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geïmplanteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geïmplanteerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geïmplanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geïmplanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geïmplanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geïmplanteerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geïmplanteerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geïmplanteerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen implanteren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen implanteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen implanteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen implanteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geïmplanteerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geïmplanteerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geïmplanteerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult implanteren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘inplanten’ voor het eerst aangetroffen in 1824

Woordfamilie van implanteren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geïmplanteerd voltooid deelwoord implanteren
geïmplanteerde woordvorm implanteren
implanteer gebiedende wijs implanteren
implanteerde verleden tijd implanteren
implanteerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon implanteren
implanteert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon implanteren
implantere aanvoegende wijs implanteren
implanterend onvoltooid deelwoord implanteren
implanterende woordvorm implanteren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van implanteren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over implanteren

Wat is de betekenis van implanteren?
Implanteren is een werkwoord. De betekenis is: het in een lichaam aanbrengen van een stof, voorwerp, toestel etc.
Hoe vervoeg ik implanteren?
Zo vervoeg je implanteren zo: de tegenwoordige tijd is implanteer, de verleden tijd is implanteerde en het voltooid deelwoord is geïmplanteerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord implanteren is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. I 1
  2. M 3
  3. P 3
  4. L 3
  5. A 1
  6. N 1
  7. T 2
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

implanteren levert met Wordfeud minimaal 21 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. I 2
  2. M 3
  3. P 4
  4. L 3
  5. A 1
  6. N 1
  7. T 2
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 21 zonder bonus
  13. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

implanteren in het kort

implanteren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van implanteren staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort implanteren bij een woordfamilie van 9 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

implanteren: het in een lichaam aanbrengen van een stof, voorwerp, toestel etc.
Deel implanteren — standaardnederlands.nl