terugschrikken
werkwoordBetekenis
- uit angst terugdeinzen
- iets niet aandurven
Vervoeging van terugschrikken
terugschrikkenhele werkwoord — schrikte terugverleden tijd enkelvoud — schrikten terugverleden tijd meervoud — teruggeschriktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schrik terug | schrikte terug |
| jij | schrikt terug | schrikte terug |
| hij, zij, het | schrikt terug | schrikte terug |
| wij | schrikken terug | schrikten terug |
| jullie | schrikken terug | schrikten terug |
| zij | schrikken terug | schrikten terug |
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben teruggeschrikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| bent teruggeschrikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is teruggeschrikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is teruggeschrikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| schrik terug | gebiedende wijs |
| schrikte terug | verleden tijd |
| schrok terug | verleden tijd |
| te zijn teruggeschrikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen terugschrikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terug te schrikken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| terug te zullen schrikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| terug zal schrikken | bijzin, toekomende tijd |
| terug zou schrikken | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zouden schrikken | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zoudt schrikken | bijzin, voorwaardelijk |
| terug zullen schrikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terug zullen schrikken | bijzin, toekomende tijd |
| terug zult schrikken | bijzin, toekomende tijd |
| teruggeschrikt | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| teruggeschrikt | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| teruggeschrikt | verleden tijd, deelwoord |
| teruggeschrokken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| teruggeschrokken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| teruggeschrokken | verleden tijd, deelwoord |
| teruggeschrokken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| teruggeschrokken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| teruggeschrokken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| teruggeschrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| teruggeschrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| teruggeschrokken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| teruggeschrokken te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| teruggeschrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| teruggeschrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| teruggeschrokken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| teruggeschrokken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| teruggeschrokken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| teruggeschrokken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| teruggeschrokken zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| terugschrik | bijzin, tegenwoordige tijd |
| terugschrikkend | onvoltooid, deelwoord |
| terugschrikt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| terugschrikte | bijzin, verleden tijd |
| terugschrikten | bijzin, verleden tijd |
| terugschrok | bijzin, verleden tijd |
| terugschrokken | bijzin, verleden tijd |
| waart teruggeschrikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren teruggeschrikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren teruggeschrikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren teruggeschrikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was teruggeschrikt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was teruggeschrikt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was teruggeschrikt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal teruggeschrikt | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal teruggeschrikt | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal teruggeschrikt | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal terugschrikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal terugschrikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal terugschrikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal terugschrikken | bijzin, toekomende tijd |
| zijn teruggeschrikt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn teruggeschrikt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn teruggeschrikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn teruggeschrikt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt teruggeschrikt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou teruggeschrikt | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou teruggeschrikt | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou teruggeschrikt | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou terugschrikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou terugschrikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou terugschrikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou terugschrikken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) terugschrikken terug zou(dt) schrikken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden teruggeschrikt | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden teruggeschrikt | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden teruggeschrikt | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden terugschrikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden terugschrikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden terugschrikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden terugschrikken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt teruggeschrikt | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt terugschrikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt terugschrikken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen teruggeschrikt | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen teruggeschrikt | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen teruggeschrikt | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen terugschrikken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen terugschrikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen terugschrikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen terugschrikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen terugschrikken | bijzin, toekomende tijd |
| zult | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult teruggeschrikt | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult terugschrikken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult terugschrikken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal terugschrikken terug zult/zal schrikken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van terug bw en schrikken ww
Woordfamilie van terugschrikken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schrik terug | gebiedende wijs | terugschrikken |
| schrikke terug | woordvorm | terugschrikken |
| schrikken terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | terugschrikken |
| schrikt terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | terugschrikken |
| schrikte terug | verleden tijd | terugschrikken |
| schrikten terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | terugschrikken |
| schrok terug | verleden tijd | terugschrikken |
| schrokken terug | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | terugschrikken |
| teruggeschrikt | voltooid deelwoord | terugschrikken |
| teruggeschrikte | woordvorm | terugschrikken |
| teruggeschrokken | voltooid deelwoord | terugschrikken |
| terugschrik | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | terugschrikken |
| terugschrikke | with-subordinate-clause | terugschrikken |
| terugschrikkend | onvoltooid deelwoord | terugschrikken |
| terugschrikkende | woordvorm | terugschrikken |
| terugschrikt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | terugschrikken |
| terugschrikte | subordinate-clause, verleden tijd | terugschrikken |
| terugschrikten | subordinate-clause, verleden tijd | terugschrikken |
| terugschrok | subordinate-clause, verleden tijd | terugschrikken |
| terugschrokken | subordinate-clause, verleden tijd | terugschrikken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van terugschrikken zijn vastgelegd.