Naar de inhoud

terugschrikken

uit angst terugdeinzen

terugschrikken

werkwoord

Betekenis

  1. uit angst terugdeinzen
  2. iets niet aandurven

Vervoeging van terugschrikken

terugschrikkenhele werkwoord — schrikte terugverleden tijd enkelvoud — schrikten terugverleden tijd meervoud — teruggeschriktvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schrik terug schrikte terug
jij schrikt terug schrikte terug
hij, zij, het schrikt terug schrikte terug
wij schrikken terug schrikten terug
jullie schrikken terug schrikten terug
zij schrikken terug schrikten terug
Alle 99 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben teruggeschrikt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
bent teruggeschrikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is teruggeschrikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is teruggeschrikt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
schrik terug gebiedende wijs
schrikte terug verleden tijd
schrok terug verleden tijd
te zijn teruggeschrikt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen terugschrikken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
terug te schrikken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
terug te zullen schrikken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
terug zal schrikken bijzin, toekomende tijd
terug zou schrikken bijzin, voorwaardelijk
terug zouden schrikken bijzin, voorwaardelijk
terug zoudt schrikken bijzin, voorwaardelijk
terug zullen schrikken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
terug zullen schrikken bijzin, toekomende tijd
terug zult schrikken bijzin, toekomende tijd
teruggeschrikt actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
teruggeschrikt actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
teruggeschrikt verleden tijd, deelwoord
teruggeschrokken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
teruggeschrokken actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
teruggeschrokken verleden tijd, deelwoord
teruggeschrokken voltooid, verleden tijd, eerste persoon
teruggeschrokken voltooid, verleden tijd, tweede persoon
teruggeschrokken voltooid, verleden tijd, derde persoon
teruggeschrokken voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
teruggeschrokken voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
teruggeschrokken voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
teruggeschrokken te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
teruggeschrokken zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
teruggeschrokken zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
teruggeschrokken zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
teruggeschrokken zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
teruggeschrokken zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
teruggeschrokken zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
teruggeschrokken zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
terugschrik bijzin, tegenwoordige tijd
terugschrikkend onvoltooid, deelwoord
terugschrikt bijzin, tegenwoordige tijd
terugschrikte bijzin, verleden tijd
terugschrikten bijzin, verleden tijd
terugschrok bijzin, verleden tijd
terugschrokken bijzin, verleden tijd
waart teruggeschrikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren teruggeschrikt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren teruggeschrikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren teruggeschrikt voltooid, verleden tijd, derde persoon
was teruggeschrikt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was teruggeschrikt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was teruggeschrikt voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal teruggeschrikt voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal teruggeschrikt voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal teruggeschrikt voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal terugschrikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal terugschrikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal terugschrikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal terugschrikken bijzin, toekomende tijd
zijn teruggeschrikt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn teruggeschrikt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn teruggeschrikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn teruggeschrikt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt teruggeschrikt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou teruggeschrikt voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou teruggeschrikt voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou teruggeschrikt voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou terugschrikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou terugschrikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou terugschrikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou terugschrikken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) terugschrikken terug zou(dt) schrikken bijzin, voorwaardelijk
zouden teruggeschrikt voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden teruggeschrikt voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden teruggeschrikt voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden terugschrikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden terugschrikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden terugschrikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden terugschrikken bijzin, voorwaardelijk
zoudt teruggeschrikt voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt terugschrikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt terugschrikken bijzin, voorwaardelijk
zullen teruggeschrikt voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen teruggeschrikt voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen teruggeschrikt voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen terugschrikken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen terugschrikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen terugschrikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen terugschrikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen terugschrikken bijzin, toekomende tijd
zult voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult teruggeschrikt voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult terugschrikken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult terugschrikken bijzin, toekomende tijd
zult/zal terugschrikken terug zult/zal schrikken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van terug bw en schrikken ww

Woordfamilie van terugschrikken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
schrik terug gebiedende wijs terugschrikken
schrikke terug woordvorm terugschrikken
schrikken terug aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon terugschrikken
schrikt terug aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon terugschrikken
schrikte terug verleden tijd terugschrikken
schrikten terug aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon terugschrikken
schrok terug verleden tijd terugschrikken
schrokken terug aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon terugschrikken
teruggeschrikt voltooid deelwoord terugschrikken
teruggeschrikte woordvorm terugschrikken
teruggeschrokken voltooid deelwoord terugschrikken
terugschrik subordinate-clause, tegenwoordige tijd terugschrikken
terugschrikke with-subordinate-clause terugschrikken
terugschrikkend onvoltooid deelwoord terugschrikken
terugschrikkende woordvorm terugschrikken
terugschrikt subordinate-clause, tegenwoordige tijd terugschrikken
terugschrikte subordinate-clause, verleden tijd terugschrikken
terugschrikten subordinate-clause, verleden tijd terugschrikken
terugschrok subordinate-clause, verleden tijd terugschrikken
terugschrokken subordinate-clause, verleden tijd terugschrikken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van terugschrikken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over terugschrikken

Wat betekent terugschrikken?
Terugschrikken is een werkwoord. Het woord betekent: uit angst terugdeinzen. Deze pagina beschrijft 2 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je terugschrikken?
Je vervoegt terugschrikken als volgt: het voltooid deelwoord is teruggeschrikt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord terugschrikken is 34 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. E 1
  3. R 2
  4. U 4
  5. G 3
  6. S 2
  7. C 5
  8. H 4
  9. R 2
  10. I 1
  11. K 3
  12. K 3
  13. E 1
  14. N 1
  15. 34 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

terugschrikken levert met Wordfeud minimaal 33 en maximaal 129 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. E 1
  3. R 2
  4. U 2
  5. G 3
  6. S 2
  7. C 5
  8. H 4
  9. R 2
  10. I 2
  11. K 3
  12. K 3
  13. E 1
  14. N 1
  15. 33 zonder bonus
  16. 129 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

terugschrikken in het kort

terugschrikken staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 2 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van terugschrikken zijn 56 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort terugschrikken bij een woordfamilie van 20 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

terugschrikken: uit angst terugdeinzen
Deel terugschrikken — standaardnederlands.nl