stukgooien
werkwoordBetekenis
- door werpen kapotmaken
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van stukgooien
stukgooienhele werkwoord — gooide stukverleden tijd enkelvoud — gooiden stukverleden tijd meervoud — stukgegooidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | gooi stuk | gooide stuk |
| jij | gooit stuk | gooide stuk |
| hij, zij, het | gooit stuk | gooide stuk |
| wij | gooien stuk | gooiden stuk |
| jullie | gooien stuk | gooiden stuk |
| zij | gooien stuk | gooiden stuk |
Alle 107 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| er is stukgegooid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was stukgegooid | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd stukgegooid | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt stukgegooid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal stukgegooid worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal stukgegooid zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou stukgegooid worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou stukgegooid zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gooi stuk | gebiedende wijs |
| gooide stuk | verleden tijd |
| had stukgegooid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had stukgegooid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had stukgegooid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden stukgegooid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden stukgegooid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden stukgegooid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt stukgegooid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb stukgegooid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben stukgegooid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben stukgegooid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben stukgegooid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben stukgegooid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt stukgegooid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft stukgegooid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft stukgegooid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is stukgegooid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stuk te gooien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| stuk te zullen gooien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| stuk zal gooien | bijzin, toekomende tijd |
| stuk zou gooien | bijzin, voorwaardelijk |
| stuk zouden gooien | bijzin, voorwaardelijk |
| stuk zoudt gooien | bijzin, voorwaardelijk |
| stuk zullen gooien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| stuk zullen gooien | bijzin, toekomende tijd |
| stuk zult gooien | bijzin, toekomende tijd |
| stukgegooid | verleden tijd, deelwoord |
| stukgegooid te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| stukgegooid te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| stukgegooid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| stukgegooid te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| stukgegooid te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| stukgegooid worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| stukgegooid zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| stukgegooid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| stukgegooid zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| stukgegooid zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| stukgooi | bijzin, tegenwoordige tijd |
| stukgooide | bijzin, verleden tijd |
| stukgooiden | bijzin, verleden tijd |
| stukgooiend | onvoltooid, deelwoord |
| stukgooit | bijzin, tegenwoordige tijd |
| te hebben stukgegooid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen stukgooien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren stukgegooid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was stukgegooid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd stukgegooid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden stukgegooid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden stukgegooid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt stukgegooid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal stukgegooid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal stukgegooid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal stukgegooid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal stukgegooid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal stukgegooid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal stukgooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal stukgooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal stukgooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal stukgooien | bijzin, toekomende tijd |
| zijn stukgegooid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou stukgegooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou stukgegooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou stukgegooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stukgegooid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou stukgegooid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stukgooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou stukgooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou stukgooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou stukgooien | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) stukgooien stuk zou(dt) gooien | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden stukgegooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden stukgegooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden stukgegooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stukgegooid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stukgegooid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stukgooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden stukgooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden stukgooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden stukgooien | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt stukgegooid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stukgooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt stukgooien | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen stukgegooid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen stukgegooid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen stukgegooid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stukgegooid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stukgegooid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stukgooien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen stukgooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen stukgooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen stukgooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen stukgooien | bijzin, toekomende tijd |
| zult stukgegooid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult stukgooien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult stukgooien | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal stukgooien stuk zult/zal gooien | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van stuk en gooien
Woordfamilie van stukgooien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gooi stuk | gebiedende wijs | stukgooien |
| gooide stuk | verleden tijd | stukgooien |
| gooiden stuk | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | stukgooien |
| gooie stuk | woordvorm | stukgooien |
| gooien stuk | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | stukgooien |
| gooit stuk | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | stukgooien |
| stukgegooid | voltooid deelwoord | stukgooien |
| stukgegooide | woordvorm | stukgooien |
| stukgooi | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | stukgooien |
| stukgooide | subordinate-clause, verleden tijd | stukgooien |
| stukgooiden | subordinate-clause, verleden tijd | stukgooien |
| stukgooie | with-subordinate-clause | stukgooien |
| stukgooiend | onvoltooid deelwoord | stukgooien |
| stukgooiende | woordvorm | stukgooien |
| stukgooit | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | stukgooien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stukgooien zijn vastgelegd.