stukslaan
werkwoord /ˈstʏkslan/Betekenis
- slaan tot iets breekt
- uitgeven van geld voor vermaak
- gebroken raken
Hoe spreek je stukslaan uit?
/ˈstʏkslan/
Stukslaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| ʏ | put |
| k | kat |
| l | land |
| a | maan |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van stukslaan
stukslaanhele werkwoord — sloeg stukverleden tijd enkelvoud — sloegen stukverleden tijd meervoud — stukgeslagenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sla stuk | sloeg stuk |
| jij | slaat stuk | sloeg stuk |
| hij, zij, het | slaat stuk | sloeg stuk |
| wij | slaan stuk | sloegen stuk |
| jullie | slaan stuk | sloegen stuk |
| zij | slaan stuk | sloegen stuk |
Alle 81 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief, voltooid |
| er is stukgeslagen | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon, voltooid |
| er was stukgeslagen | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, derde persoon, voltooid |
| er werd stukgeslagen | impersonal, passief, voltooid, verleden tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er wordt stukgeslagen | impersonal, passief, voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal stukgeslagen worden | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, eerste persoon, onvoltooid |
| er zal stukgeslagen zijn | impersonal, passief, voltooid, toekomende tijd, derde persoon, voltooid |
| er zou stukgeslagen worden | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon, onvoltooid |
| er zou stukgeslagen zijn | impersonal, passief, voltooid, voorwaardelijk, derde persoon, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| hebben stukgeslagen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| is stukgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sla stuk | gebiedende wijs |
| sloeg stuk | verleden tijd |
| stuk te slaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| stuk te zullen slaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| stuk zal slaan | bijzin, toekomende tijd |
| stuk zou slaan | bijzin, voorwaardelijk |
| stuk zouden slaan | bijzin, voorwaardelijk |
| stuk zoudt slaan | bijzin, voorwaardelijk |
| stuk zullen slaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| stuk zullen slaan | bijzin, toekomende tijd |
| stuk zult slaan | bijzin, toekomende tijd |
| stukgeslagen | verleden tijd, deelwoord |
| stukgeslagen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| stukgeslagen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| stukgeslagen te zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| stukgeslagen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| stukgeslagen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| stukgeslagen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| stukgeslagen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| stukgeslagen zullen hebben/zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| stukgeslagen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| stukgeslagen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| stuksla | bijzin, tegenwoordige tijd |
| stukslaand | onvoltooid, deelwoord |
| stukslaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| stuksloeg | bijzin, verleden tijd |
| stuksloegen | bijzin, verleden tijd |
| stuksloegt | bijzin, verleden tijd |
| te hebben/zijn stukgeslagen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen stukslaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waren stukgeslagen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was stukgeslagen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd stukgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werden stukgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| worden stukgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt stukgeslagen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| zal stukgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal stukgeslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal stukslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal stukslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal stukslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal stukslaan | bijzin, toekomende tijd |
| zijn stukgeslagen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn stukgeslagen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zou stukgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou stukgeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stukslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou stukslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou stukslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou stukslaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) stukslaan stuk zou(dt) slaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden stukgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stukgeslagen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stukslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden stukslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden stukslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden stukslaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt stukslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt stukslaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen stukgeslagen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stukgeslagen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stukslaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen stukslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen stukslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen stukslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen stukslaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult stukslaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult stukslaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal stukslaan stuk zult/zal slaan | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van stuk bw en slaan ww
Woordfamilie van stukslaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| sla stuk | gebiedende wijs | stukslaan |
| slaan stuk | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | stukslaan |
| slaat stuk | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | stukslaan |
| sloeg stuk | verleden tijd | stukslaan |
| sloegen stuk | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | stukslaan |
| sloegt stuk | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | stukslaan |
| stukgeslagen | voltooid deelwoord | stukslaan |
| stuksla | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | stukslaan |
| stukslaand | onvoltooid deelwoord | stukslaan |
| stukslaande | woordvorm | stukslaan |
| stukslaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | stukslaan |
| stuksloeg | subordinate-clause, verleden tijd | stukslaan |
| stuksloegen | subordinate-clause, verleden tijd | stukslaan |
| stuksloegt | subordinate-clause, verleden tijd | stukslaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stukslaan zijn vastgelegd.