stukvallen
werkwoordBetekenis
- gebroken geraken als gevolg van een val
Vervoeging van stukvallen
stukvallenhele werkwoord — viel stukverleden tijd enkelvoud — vielen stukverleden tijd meervoud — stukgevallenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | val stuk | viel stuk |
| jij | valt stuk | viel stuk |
| hij, zij, het | valt stuk | viel stuk |
| wij | vallen stuk | vielen stuk |
| jullie | vallen stuk | vielen stuk |
| zij | vallen stuk | vielen stuk |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben stukgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent stukgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is stukgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is stukgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stuk te vallen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| stuk te zullen vallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| stuk zal vallen | bijzin, toekomende tijd |
| stuk zou vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| stuk zouden vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| stuk zoudt vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| stuk zullen vallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| stuk zullen vallen | bijzin, toekomende tijd |
| stuk zult vallen | bijzin, toekomende tijd |
| stukgevallen | verleden tijd, deelwoord |
| stukgevallen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| stukgevallen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| stukval | bijzin, tegenwoordige tijd |
| stukvallend | onvoltooid, deelwoord |
| stukvalt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| stukviel | bijzin, verleden tijd |
| stukvielen | bijzin, verleden tijd |
| te zijn stukgevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen stukvallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| val stuk | gebiedende wijs |
| viel stuk | verleden tijd |
| waart stukgevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren stukgevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren stukgevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren stukgevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was stukgevallen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was stukgevallen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was stukgevallen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal stukgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal stukgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal stukgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal stukvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal stukvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal stukvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal stukvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn stukgevallen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn stukgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn stukgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn stukgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt stukgevallen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou stukgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou stukgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou stukgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou stukvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou stukvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou stukvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou stukvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) stukvallen stuk zou(dt) vallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden stukgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden stukgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden stukgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden stukvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden stukvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden stukvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden stukvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt stukgevallen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt stukvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt stukvallen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen stukgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen stukgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen stukgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen stukvallen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen stukvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen stukvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen stukvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen stukvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zult stukgevallen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult stukvallen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult stukvallen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal stukvallen stuk zult/zal vallen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van stuk bw en vallen ww
Woordfamilie van stukvallen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stukgevallen | voltooid deelwoord | stukvallen |
| stukval | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | stukvallen |
| stukvalle | with-subordinate-clause | stukvallen |
| stukvallend | onvoltooid deelwoord | stukvallen |
| stukvallende | woordvorm | stukvallen |
| stukvalt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | stukvallen |
| stukviel | subordinate-clause, verleden tijd | stukvallen |
| stukvielen | subordinate-clause, verleden tijd | stukvallen |
| val stuk | gebiedende wijs | stukvallen |
| valle stuk | woordvorm | stukvallen |
| vallen stuk | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | stukvallen |
| valt stuk | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | stukvallen |
| viel stuk | verleden tijd | stukvallen |
| vielen stuk | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | stukvallen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stukvallen zijn vastgelegd.