Naar de inhoud

stukvallen

gebroken geraken als gevolg van een val

stukvallen

werkwoord

Betekenis

  1. gebroken geraken als gevolg van een val

Vervoeging van stukvallen

stukvallenhele werkwoord — viel stukverleden tijd enkelvoud — vielen stukverleden tijd meervoud — stukgevallenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik val stuk viel stuk
jij valt stuk viel stuk
hij, zij, het valt stuk viel stuk
wij vallen stuk vielen stuk
jullie vallen stuk vielen stuk
zij vallen stuk vielen stuk
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben stukgevallen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent stukgevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is stukgevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is stukgevallen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
stuk te vallen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
stuk te zullen vallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
stuk zal vallen bijzin, toekomende tijd
stuk zou vallen bijzin, voorwaardelijk
stuk zouden vallen bijzin, voorwaardelijk
stuk zoudt vallen bijzin, voorwaardelijk
stuk zullen vallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
stuk zullen vallen bijzin, toekomende tijd
stuk zult vallen bijzin, toekomende tijd
stukgevallen verleden tijd, deelwoord
stukgevallen te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
stukgevallen zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
stukval bijzin, tegenwoordige tijd
stukvallend onvoltooid, deelwoord
stukvalt bijzin, tegenwoordige tijd
stukviel bijzin, verleden tijd
stukvielen bijzin, verleden tijd
te zijn stukgevallen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen stukvallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
val stuk gebiedende wijs
viel stuk verleden tijd
waart stukgevallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren stukgevallen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren stukgevallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren stukgevallen voltooid, verleden tijd, derde persoon
was stukgevallen voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was stukgevallen voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was stukgevallen voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal stukgevallen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal stukgevallen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal stukgevallen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal stukvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal stukvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal stukvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal stukvallen bijzin, toekomende tijd
zijn stukgevallen actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn stukgevallen voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn stukgevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn stukgevallen voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt stukgevallen voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou stukgevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou stukgevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou stukgevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou stukvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou stukvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou stukvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou stukvallen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) stukvallen stuk zou(dt) vallen bijzin, voorwaardelijk
zouden stukgevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden stukgevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden stukgevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden stukvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden stukvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden stukvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden stukvallen bijzin, voorwaardelijk
zoudt stukgevallen zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt stukvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt stukvallen bijzin, voorwaardelijk
zullen stukgevallen zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen stukgevallen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen stukgevallen zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen stukvallen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen stukvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen stukvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen stukvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen stukvallen bijzin, toekomende tijd
zult stukgevallen zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult stukvallen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult stukvallen bijzin, toekomende tijd
zult/zal stukvallen stuk zult/zal vallen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van stuk bw en vallen ww

Woordfamilie van stukvallen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
stukgevallen voltooid deelwoord stukvallen
stukval subordinate-clause, tegenwoordige tijd stukvallen
stukvalle with-subordinate-clause stukvallen
stukvallend onvoltooid deelwoord stukvallen
stukvallende woordvorm stukvallen
stukvalt subordinate-clause, tegenwoordige tijd stukvallen
stukviel subordinate-clause, verleden tijd stukvallen
stukvielen subordinate-clause, verleden tijd stukvallen
val stuk gebiedende wijs stukvallen
valle stuk woordvorm stukvallen
vallen stuk aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon stukvallen
valt stuk aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon stukvallen
viel stuk verleden tijd stukvallen
vielen stuk aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon stukvallen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stukvallen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over stukvallen

Wat betekent stukvallen?
Stukvallen is een werkwoord. Het woord betekent: gebroken geraken als gevolg van een val.
Hoe vervoeg je stukvallen?
Je vervoegt stukvallen als volgt: het voltooid deelwoord is stukgevallen. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord stukvallen is 24 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. T 2
  3. U 4
  4. K 3
  5. V 4
  6. A 1
  7. L 3
  8. L 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 24 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

stukvallen levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. T 2
  3. U 2
  4. K 3
  5. V 4
  6. A 1
  7. L 3
  8. L 3
  9. E 1
  10. N 1
  11. 22 zonder bonus
  12. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

stukvallen in het kort

stukvallen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van stukvallen zijn 46 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort stukvallen bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

stukvallen: gebroken geraken als gevolg van een val
Deel stukvallen — standaardnederlands.nl