stukadoor
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een bouwvakker die een afwerklaag van specie (of mortel) op muur|muren en plafonds aanbrengt om ze een egaal en glad uitzicht te geven
zelfstandig naamwoord — masculine
- een bouwvakker die een afwerklaag van specie (of mortel) op muren en plafonds aanbrengt om ze een egaal en glad uitzicht te geven
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| stukadoors | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stukadoren
- gebiedende wijs van stukadoren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van stukadoren
Vervoeging van stukadoor
stukadoorhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Italiaans, in de betekenis van ‘plafondwerker’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1750
Woordfamilie van stukadoor
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stukadoors | meervoud | stukadoor |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stukadoor zijn vastgelegd.