stukgaan
werkwoord ˈstʏkxanBetekenis
- ophouden te functioneren al of niet door te breken
Hoe spreek je stukgaan uit?
/ˈstʏkxan/
Stukgaan bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| ʏ | put |
| k | kat |
| x | acht |
| a | maan |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- in lachen uitbarsten ergative, vernacular
Vervoeging van stukgaan
stukgaanhele werkwoord — ging stukverleden tijd enkelvoud — gingen stukverleden tijd meervoud — stukgegaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | ga stuk | ging stuk |
| jij | gaat stuk | ging stuk |
| hij, zij, het | gaat stuk | ging stuk |
| wij | gaan stuk | gingen stuk |
| jullie | gaan stuk | gingen stuk |
| zij | gaan stuk | gingen stuk |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben stukgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent stukgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| ga stuk | gebiedende wijs |
| ging stuk | verleden tijd |
| is stukgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is stukgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stuk te gaan | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| stuk te zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| stuk zal gaan | bijzin, toekomende tijd |
| stuk zou gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| stuk zouden gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| stuk zoudt gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| stuk zullen gaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| stuk zullen gaan | bijzin, toekomende tijd |
| stuk zult gaan | bijzin, toekomende tijd |
| stukga | bijzin, tegenwoordige tijd |
| stukgaand | onvoltooid, deelwoord |
| stukgaat | bijzin, tegenwoordige tijd |
| stukgegaan | verleden tijd, deelwoord |
| stukgegaan te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| stukgegaan zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| stukging | bijzin, verleden tijd |
| stukgingen | bijzin, verleden tijd |
| te zijn stukgegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen stukgaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart stukgegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren stukgegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren stukgegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren stukgegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was stukgegaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was stukgegaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was stukgegaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal stukgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal stukgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal stukgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal stukgaan | bijzin, toekomende tijd |
| zal stukgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal stukgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal stukgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn stukgegaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn stukgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn stukgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn stukgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt stukgegaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou stukgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou stukgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou stukgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou stukgaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zou stukgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou stukgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou stukgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou(dt) stukgaan stuk zou(dt) gaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden stukgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden stukgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden stukgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden stukgaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden stukgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden stukgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden stukgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt stukgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt stukgaan | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt stukgegaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen stukgaan | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen stukgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen stukgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen stukgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen stukgaan | bijzin, toekomende tijd |
| zullen stukgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen stukgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen stukgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult stukgaan | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult stukgaan | bijzin, toekomende tijd |
| zult stukgegaan zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult/zal stukgaan stuk zult/zal gaan | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van stuk en gaan
Woordfamilie van stukgaan
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ga stuk | gebiedende wijs | stukgaan |
| gaan stuk | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | stukgaan |
| gaat stuk | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | stukgaan |
| ging stuk | verleden tijd | stukgaan |
| gingen stuk | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | stukgaan |
| stukga | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | stukgaan |
| stukgaand | onvoltooid deelwoord | stukgaan |
| stukgaande | woordvorm | stukgaan |
| stukgaat | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | stukgaan |
| stukgegaan | voltooid deelwoord | stukgaan |
| stukging | subordinate-clause, verleden tijd | stukgaan |
| stukgingen | subordinate-clause, verleden tijd | stukgaan |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stukgaan zijn vastgelegd.