struik
zelfstandig naamwoord, werkwoord strœykBetekenis
- een houtige plant zonder stam die zich onmiddellijk boven of reeds in de grond vertakt in een aantal takken die meer of minder dik kunnen worden
Hoe spreek je struik uit?
/strœyk/
Struik bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| r | rood |
| œy | huis |
| k | kat |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| struiken | meervoud |
| struikje | verkleinwoord, enkelvoud |
| struikjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van struiken
- gebiedende wijs van struiken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van struiken
Vervoeging van struik
struikhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘heester’ voor het eerst aangetroffen in 1265.
Woordfamilie van struik
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| struikje | verkleinwoord | struik |
| struikjes | verkleinwoord meervoud | struik |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van struik zijn vastgelegd.