buik
zelfstandig naamwoord bœykBetekenis
- het onderste deel van de voorkant van de romp van mens of dier dat van boven door het middenrif en van onderen door de bekkengordel begrenst is
- plaats waar een golf- of trillingsbeweging de grootste uitwijking vertoont
Hoe spreek je buik uit?
/bœyk/
Buik bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| œy | huis |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord — masculine
- buik die dikker is dan normaal, corpulente buik
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| buiken | meervoud |
| buikje | verkleinwoord, enkelvoud |
| buikjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘middendeel van lichaam’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 701
Woordfamilie van buik
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| buiken | meervoud | buik |
| buikje | verkleinwoord | buik |
| buikjes | verkleinwoord meervoud | buik |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van buik zijn vastgelegd.