huik
zelfstandig naamwoord, werkwoord hœykBetekenis
- een lange mouwloze mantel met kap, gedragen door vrouwen Arch. (1811)
- een regenvast dekkleed dat over een zeil gedaan wordt
- hurk
Hoe spreek je huik uit?
/hœyk/
Huik bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| œy | huis |
| k | kat |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| huiken | meervoud |
| huikje | verkleinwoord, enkelvoud |
| huikjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van huiken
- gebiedende wijs van huiken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van huiken
Vervoeging van huik
huikhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘mantel’ voor het eerst aangetroffen in 1317
Woordfamilie van huik
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| huikje | verkleinwoord | huik |
| huikjes | verkleinwoord meervoud | huik |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van huik zijn vastgelegd.