sperperiode
zelfstandig naamwoord ˈspɛrperiˌjodəBetekenis
- (België) tijdvak waarbinnen een bepaald verbod geldt
- (België) de periode voorafgaand aan de koopjesperiode waarin er geen reclame voor prijsverlagingen gemaakt mag worden voor kleding, lederwaren en schoenen
- (België) de periode van drie maanden voorafgaand aan verkiezingen waarin er voor het bedrijven van politieke propaganda striktere regels gelden
Hoe spreek je sperperiode uit?
/ˈspɛrperiˌjodə/
Sperperiode bestaat uit vijf lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| p | pak |
| ɛ | bed |
| r | rood |
| e | veel |
| i | riet |
| j | ja |
| o | boot |
| d | dak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord
- tijdvak waarbinnen een bepaald verbod geldt
- de periode voorafgaand aan de koopjesperiode waarin er geen reclame voor prijsverlagingen gemaakt mag worden voor kleding, lederwaren en schoenen
- de periode van drie maanden voorafgaand aan verkiezingen waarin er voor het bedrijven van politieke propaganda striktere regels gelden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| sperperioden | meervoud |
| sperperiodes | meervoud |
| sperperiodetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| sperperiodetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van sper ww en periode zn
Woordfamilie van sperperiode
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| sperperioden | meervoud | sperperiode |
| sperperiodes | meervoud | sperperiode |
| sperperiodetje | verkleinwoord | sperperiode |
| sperperiodetjes | verkleinwoord meervoud | sperperiode |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sperperiode zijn vastgelegd.