slijmen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈslɛimə(n)Betekenis
- zich ondergeschikt gedragen en niet gemeende bijval en complimenten geven om iemand gunstig te stemmen
- overdreven lief en sentimenteel doen
- een kleverige afscheiding afgeven
- van een kleverige uitscheiding ontdoen
Hoe spreek je slijmen uit?
/ˈslɛimən/
Slijmen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| l | land |
| ɛi | trein |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- overdreven lief, positief en/of sentimenteel doen, meestal met de bijbedoeling hier zelf profijt uit te halen intransitive, pejorative
Vervoeging van slijmen
slijmenhele werkwoord — slijmdeverleden tijd enkelvoud — slijmdenverleden tijd meervoud — geslijmdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | slijm | slijmde |
| jij | slijmt | slijmde |
| hij, zij, het | slijmt | slijmde |
| wij | slijmen | slijmden |
| jullie | slijmen | slijmden |
| zij | slijmen | slijmden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| geslijmd | verleden tijd, deelwoord |
| geslijmd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geslijmd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geslijmd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geslijmd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geslijmd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geslijmd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geslijmd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geslijmd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geslijmd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geslijmd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geslijmd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geslijmd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geslijmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geslijmd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geslijmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geslijmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geslijmd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| slijm | gebiedende wijs |
| slijmde | verleden tijd |
| slijme | aanvoegende wijs |
| slijmend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben geslijmd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te slijmen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen slijmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal geslijmd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geslijmd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geslijmd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal slijmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal slijmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal slijmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou geslijmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geslijmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geslijmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou slijmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou slijmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou slijmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden geslijmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geslijmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geslijmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden slijmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden slijmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden slijmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt geslijmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt slijmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen geslijmd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geslijmd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geslijmd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen slijmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen slijmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen slijmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen slijmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult geslijmd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult slijmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord slijm
Herkomst
ww [1], [2]: mogelijk een overdrachtelijke verwijzing naar de ongrijpbaarheid die het gevolg is van onoprechtheid; vergelijk slijmgast
Woordfamilie van slijmen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| geslijmd | voltooid deelwoord | slijmen |
| geslijmde | woordvorm | slijmen |
| slijmde | verleden tijd | slijmen |
| slijmden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | slijmen |
| slijme | aanvoegende wijs | slijmen |
| slijmend | onvoltooid deelwoord | slijmen |
| slijmende | woordvorm | slijmen |
| slijmt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | slijmen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van slijmen zijn vastgelegd.