vlijmen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈvlɛimə(n)Betekenis
- met een vlijm (scherp mes) snijden of steken
- scherpe pijn gevend
Hoe spreek je vlijmen uit?
/ˈvlɛimən/
Vlijmen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| l | land |
| ɛi | trein |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van vlijmen
vlijmenhele werkwoord — vlijmdeverleden tijd enkelvoud — vlijmdenverleden tijd meervoud — gevlijmdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vlijm | vlijmde |
| jij | vlijmt | vlijmde |
| hij, zij, het | vlijmt | vlijmde |
| wij | vlijmen | vlijmden |
| jullie | vlijmen | vlijmden |
| zij | vlijmen | vlijmden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gevlijmd | verleden tijd, deelwoord |
| gevlijmd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevlijmd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gevlijmd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gevlijmd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gevlijmd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gevlijmd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gevlijmd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gevlijmd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gevlijmd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gevlijmd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevlijmd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gevlijmd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevlijmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gevlijmd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gevlijmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevlijmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevlijmd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gevlijmd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vlijmen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vlijmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vlijm | gebiedende wijs |
| vlijmde | verleden tijd |
| vlijme | aanvoegende wijs |
| vlijmend | onvoltooid, deelwoord |
| zal gevlijmd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevlijmd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevlijmd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vlijmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vlijmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vlijmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gevlijmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevlijmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevlijmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vlijmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vlijmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vlijmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gevlijmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevlijmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevlijmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vlijmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vlijmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vlijmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gevlijmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vlijmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gevlijmd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevlijmd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevlijmd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vlijmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vlijmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vlijmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vlijmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gevlijmd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vlijmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord vlijm
Herkomst
afgeleid van vlijm zn (scherp mes) met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van vlijmen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gevlijmd | voltooid deelwoord | vlijmen |
| gevlijmde | woordvorm | vlijmen |
| vlijmde | verleden tijd | vlijmen |
| vlijmden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vlijmen |
| vlijmt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vlijmen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vlijmen zijn vastgelegd.