rijmen
werkwoord, zelfstandig naamwoord /ˈrɛɪmə(n)/Betekenis
- (van woorden of regels) een opvallende herhaling van klanken laten horen
- (in het Nederlands) vanaf de laatste beklemtoonde lettergreep hetzelfde klinken
- woorden of regels zo op elkaar laten volgen dat er een opvallende herhaling van klanken ontstaat
- dichten, verzen maken
- in overeenstemming zijn (gebruikt in ontkennende zin)
- woorden of regels zo kiezen dat ze vanaf de laatste beklemtoonde lettergreep hetzelfde klinken
- maken van een vers
Hoe spreek je rijmen uit?
/ˈrɛimən/
Rijmen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɛi | trein |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- een opvallende herhaling van klanken laten horen unergative
- vanaf de laatste beklemtoonde lettergreep hetzelfde klinken unergative
- in overeenstemming zijn ergative, figuratively
Vervoeging van rijmen
rijmenhele werkwoord — rijmdeverleden tijd enkelvoud — rijmdenverleden tijd meervoud — gerijmdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | rijm | rijmde |
| jij | rijmt | rijmde |
| hij, zij, het | rijmt | rijmde |
| wij | rijmen | rijmden |
| jullie | rijmen | rijmden |
| zij | rijmen | rijmden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gerijmd | verleden tijd, deelwoord |
| gerijmd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gerijmd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gerijmd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gerijmd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gerijmd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gerijmd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gerijmd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gerijmd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gerijmd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gerijmd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerijmd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gerijmd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gerijmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gerijmd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gerijmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerijmd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gerijmd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| rijm | gebiedende wijs |
| rijmde | verleden tijd |
| rijme | aanvoegende wijs |
| rijmend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gerijmd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te rijmen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen rijmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gerijmd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gerijmd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gerijmd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal rijmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal rijmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal rijmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gerijmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gerijmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gerijmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou rijmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou rijmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou rijmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gerijmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gerijmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gerijmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden rijmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden rijmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden rijmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gerijmd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt rijmen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gerijmd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gerijmd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gerijmd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen rijmen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen rijmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen rijmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen rijmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gerijmd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult rijmen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord rijm
Herkomst
van Middelnederlands rimen "rijmen"
Woordfamilie van rijmen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gerijmd | voltooid deelwoord | rijmen |
| gerijmde | woordvorm | rijmen |
| rijmde | verleden tijd | rijmen |
| rijmden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | rijmen |
| rijme | aanvoegende wijs | rijmen |
| rijmend | onvoltooid deelwoord | rijmen |
| rijmende | woordvorm | rijmen |
| rijmt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | rijmen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van rijmen zijn vastgelegd.