simuleren
werkwoordBetekenis
- (een ziekte) voorwenden
- nabootsen
werkwoord
- voorwenden
Vervoeging van simuleren
simulerenhele werkwoord — simuleerdeverleden tijd enkelvoud — simuleerdenverleden tijd meervoud — gesimuleerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | simuleer | simuleerde |
| jij | simuleert | simuleerde |
| hij, zij, het | simuleert | simuleerde |
| wij | simuleren | simuleerden |
| jullie | simuleren | simuleerden |
| zij | simuleren | simuleerden |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gesimuleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesimuleerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesimuleerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesimuleerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesimuleerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesimuleerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesimuleerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesimuleerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gesimuleerd | verleden tijd, deelwoord |
| gesimuleerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesimuleerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesimuleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesimuleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesimuleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesimuleerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesimuleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesimuleerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesimuleerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesimuleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesimuleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesimuleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesimuleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesimuleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesimuleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesimuleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesimuleerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| simuleer | gebiedende wijs |
| simuleerde | verleden tijd |
| simulere | aanvoegende wijs |
| simulerend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesimuleerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te simuleren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen simuleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesimuleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesimuleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesimuleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal simuleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal simuleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal simuleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gesimuleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesimuleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesimuleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou simuleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou simuleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou simuleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesimuleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesimuleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesimuleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden simuleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden simuleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden simuleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesimuleerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt simuleren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesimuleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesimuleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesimuleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen simuleren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen simuleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen simuleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen simuleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesimuleerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult simuleren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘veinzen’ voor het eerst aangetroffen in 1540
Woordfamilie van simuleren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| simuleer | gebiedende wijs | simuleren |
| simuleerde | verleden tijd | simuleren |
| simuleerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | simuleren |
| simuleert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | simuleren |
| simulere | aanvoegende wijs | simuleren |
| simulerend | onvoltooid deelwoord | simuleren |
| simulerende | woordvorm | simuleren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van simuleren zijn vastgelegd.