Naar de inhoud

simuleren

(een ziekte) voorwenden

simuleren

werkwoord

Betekenis

  1. (een ziekte) voorwenden
  2. nabootsen

werkwoord

  1. voorwenden

Vervoeging van simuleren

simulerenhele werkwoord — simuleerdeverleden tijd enkelvoud — simuleerdenverleden tijd meervoud — gesimuleerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik simuleer simuleerde
jij simuleert simuleerde
hij, zij, het simuleert simuleerde
wij simuleren simuleerden
jullie simuleren simuleerden
zij simuleren simuleerden
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is gesimuleerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gesimuleerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gesimuleerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gesimuleerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gesimuleerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gesimuleerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gesimuleerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gesimuleerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gesimuleerd verleden tijd, deelwoord
gesimuleerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesimuleerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gesimuleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gesimuleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gesimuleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gesimuleerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gesimuleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gesimuleerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gesimuleerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gesimuleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesimuleerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gesimuleerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesimuleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gesimuleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gesimuleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesimuleerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesimuleerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
simuleer gebiedende wijs
simuleerde verleden tijd
simulere aanvoegende wijs
simulerend onvoltooid, deelwoord
te hebben gesimuleerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te simuleren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen simuleren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gesimuleerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesimuleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gesimuleerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal simuleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal simuleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal simuleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gesimuleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesimuleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesimuleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou simuleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou simuleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou simuleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gesimuleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gesimuleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gesimuleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden simuleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden simuleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden simuleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gesimuleerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt simuleren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gesimuleerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gesimuleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gesimuleerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen simuleren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen simuleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen simuleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen simuleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gesimuleerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult simuleren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘veinzen’ voor het eerst aangetroffen in 1540

Woordfamilie van simuleren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
simuleer gebiedende wijs simuleren
simuleerde verleden tijd simuleren
simuleerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon simuleren
simuleert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon simuleren
simulere aanvoegende wijs simuleren
simulerend onvoltooid deelwoord simuleren
simulerende woordvorm simuleren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van simuleren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over simuleren

Wat is de betekenis van simuleren?
Simuleren is een werkwoord. De betekenis is: (een ziekte) voorwenden. In totaal staan er 3 betekenissen.
Hoe vervoeg ik simuleren?
Zo vervoeg je simuleren zo: de tegenwoordige tijd is simuleer, de verleden tijd is simuleerde en het voltooid deelwoord is gesimuleerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord simuleren is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. I 1
  3. M 3
  4. U 4
  5. L 3
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

simuleren levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 69 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. I 2
  3. M 3
  4. U 2
  5. L 3
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 zonder bonus
  11. 69 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (M) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

simuleren in het kort

simuleren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 3 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van simuleren staan er 40 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort simuleren bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

simuleren: (een ziekte) voorwenden
Deel simuleren — standaardnederlands.nl