voorwenden
werkwoordBetekenis
- net doen alsof
Vervoeging van voorwenden
voorwendenhele werkwoord — wendde voorverleden tijd enkelvoud — wendden voorverleden tijd meervoud — voorgewendvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | wend voor | wendde voor |
| jij | wendt voor | wendde voor |
| hij, zij, het | wendt voor | wendde voor |
| wij | wenden voor | wendden voor |
| jullie | wenden voor | wendden voor |
| zij | wenden voor | wendden voor |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben voorgewend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent voorgewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is voorgewend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was voorgewend | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd voorgewend | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt voorgewend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal voorgewend worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal voorgewend zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou voorgewend worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou voorgewend zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had voorgewend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had voorgewend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had voorgewend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden voorgewend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden voorgewend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden voorgewend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt voorgewend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb voorgewend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorgewend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben voorgewend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorgewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben voorgewend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt voorgewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorgewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorgewend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is voorgewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is voorgewend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben voorgewend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen voorwenden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor te wenden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voor te zullen wenden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor zal wenden | bijzin, toekomende tijd |
| voor zou wenden | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zouden wenden | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zoudt wenden | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zullen wenden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voor zullen wenden | bijzin, toekomende tijd |
| voor zult wenden | bijzin, toekomende tijd |
| voorgewend | verleden tijd, deelwoord |
| voorgewend te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voorgewend te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voorgewend te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgewend te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgewend te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgewend worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| voorgewend zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| voorgewend zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorgewend zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorgewend zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorwend | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorwendde | bijzin, verleden tijd |
| voorwendden | bijzin, verleden tijd |
| voorwendend | onvoltooid, deelwoord |
| voorwendt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| waart voorgewend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorgewend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren voorgewend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren voorgewend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was voorgewend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was voorgewend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was voorgewend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| wend voor | gebiedende wijs |
| wendde voor | verleden tijd |
| werd voorgewend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd voorgewend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd voorgewend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden voorgewend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden voorgewend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden voorgewend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt voorgewend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word voorgewend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden voorgewend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden voorgewend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden voorgewend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt voorgewend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt voorgewend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal voorgewend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgewend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal voorgewend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voorgewend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgewend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal voorgewend zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgewend zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voorwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal voorwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal voorwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal voorwenden | bijzin, toekomende tijd |
| zijn voorgewend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn voorgewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn voorgewend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt voorgewend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou voorgewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voorgewend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgewend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou voorgewend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voorwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou voorwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou voorwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou voorwenden | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) voorwenden voor zou(dt) wenden | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voorgewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorgewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorgewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorgewend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorgewend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorgewend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorgewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorgewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorgewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden voorwenden | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt voorgewend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorgewend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorgewend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt voorwenden | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen voorgewend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voorgewend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voorgewend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorgewend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voorgewend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voorgewend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorgewend zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voorgewend zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voorgewend zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorwenden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen voorwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voorwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voorwenden | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen voorwenden | bijzin, toekomende tijd |
| zult voorgewend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van voor en wenden
Woordfamilie van voorwenden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| voorwend | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorwenden |
| voorwendde | subordinate-clause, verleden tijd | voorwenden |
| voorwendden | subordinate-clause, verleden tijd | voorwenden |
| voorwendend | onvoltooid deelwoord | voorwenden |
| voorwendende | woordvorm | voorwenden |
| voorwendt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorwenden |
| wend voor | gebiedende wijs | voorwenden |
| wendde voor | verleden tijd | voorwenden |
| wendden voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | voorwenden |
| wende voor | woordvorm | voorwenden |
| wenden voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | voorwenden |
| wendt voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | voorwenden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorwenden zijn vastgelegd.