Naar de inhoud

voorwenden

net doen alsof

voorwenden

werkwoord

Betekenis

  1. net doen alsof

Vervoeging van voorwenden

voorwendenhele werkwoord — wendde voorverleden tijd enkelvoud — wendden voorverleden tijd meervoud — voorgewendvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik wend voor wendde voor
jij wendt voor wendde voor
hij, zij, het wendt voor wendde voor
wij wenden voor wendden voor
jullie wenden voor wendden voor
zij wenden voor wendden voor
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben voorgewend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent voorgewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is voorgewend impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was voorgewend impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd voorgewend impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt voorgewend impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal voorgewend worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal voorgewend zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou voorgewend worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou voorgewend zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had voorgewend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had voorgewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had voorgewend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden voorgewend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden voorgewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden voorgewend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt voorgewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb voorgewend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben voorgewend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben voorgewend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben voorgewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben voorgewend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt voorgewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft voorgewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft voorgewend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is voorgewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is voorgewend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben voorgewend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen voorwenden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor te wenden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voor te zullen wenden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor zal wenden bijzin, toekomende tijd
voor zou wenden bijzin, voorwaardelijk
voor zouden wenden bijzin, voorwaardelijk
voor zoudt wenden bijzin, voorwaardelijk
voor zullen wenden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
voor zullen wenden bijzin, toekomende tijd
voor zult wenden bijzin, toekomende tijd
voorgewend verleden tijd, deelwoord
voorgewend te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voorgewend te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voorgewend te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorgewend te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorgewend te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorgewend worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
voorgewend zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
voorgewend zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorgewend zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorgewend zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorwend bijzin, tegenwoordige tijd
voorwendde bijzin, verleden tijd
voorwendden bijzin, verleden tijd
voorwendend onvoltooid, deelwoord
voorwendt bijzin, tegenwoordige tijd
waart voorgewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren voorgewend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren voorgewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren voorgewend voltooid, verleden tijd, derde persoon
was voorgewend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was voorgewend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was voorgewend voltooid, verleden tijd, derde persoon
wend voor gebiedende wijs
wendde voor verleden tijd
werd voorgewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd voorgewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd voorgewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden voorgewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden voorgewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden voorgewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt voorgewend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word voorgewend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden voorgewend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden voorgewend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden voorgewend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt voorgewend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt voorgewend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal voorgewend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorgewend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal voorgewend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal voorgewend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorgewend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal voorgewend zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorgewend zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal voorwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal voorwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal voorwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal voorwenden bijzin, toekomende tijd
zijn voorgewend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn voorgewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn voorgewend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt voorgewend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou voorgewend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorgewend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorgewend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou voorgewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorgewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou voorgewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorgewend zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorgewend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorgewend zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou voorwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou voorwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou voorwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou voorwenden bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) voorwenden voor zou(dt) wenden bijzin, voorwaardelijk
zouden voorgewend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden voorgewend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden voorgewend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden voorgewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden voorgewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden voorgewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden voorgewend zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden voorgewend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden voorgewend zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden voorwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden voorwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden voorwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden voorwenden bijzin, voorwaardelijk
zoudt voorgewend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt voorgewend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt voorgewend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt voorwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt voorwenden bijzin, voorwaardelijk
zullen voorgewend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen voorgewend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen voorgewend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen voorgewend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen voorgewend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen voorgewend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen voorgewend zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen voorgewend zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen voorgewend zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen voorwenden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen voorwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen voorwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen voorwenden aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen voorwenden bijzin, toekomende tijd
zult voorgewend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van voor en wenden

Woordfamilie van voorwenden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
voorwend subordinate-clause, tegenwoordige tijd voorwenden
voorwendde subordinate-clause, verleden tijd voorwenden
voorwendden subordinate-clause, verleden tijd voorwenden
voorwendend onvoltooid deelwoord voorwenden
voorwendende woordvorm voorwenden
voorwendt subordinate-clause, tegenwoordige tijd voorwenden
wend voor gebiedende wijs voorwenden
wendde voor verleden tijd voorwenden
wendden voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon voorwenden
wende voor woordvorm voorwenden
wenden voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon voorwenden
wendt voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon voorwenden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorwenden zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over voorwenden

Wat is de betekenis van voorwenden?
Voorwenden is een werkwoord. De betekenis is: net doen alsof.
Hoe vervoeg ik voorwenden?
Zo vervoeg je voorwenden zo: het voltooid deelwoord is voorgewend. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord voorwenden is 19 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. W 5
  6. E 1
  7. N 1
  8. D 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

voorwenden levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. W 5
  6. E 1
  7. N 1
  8. D 2
  9. E 1
  10. N 1
  11. 19 zonder bonus
  12. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

voorwenden in het kort

voorwenden staat in dit woordenboek als werkwoord. Van voorwenden staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort voorwenden bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

voorwenden: net doen alsof
Deel voorwenden — standaardnederlands.nl