Naar de inhoud

voorgeven

voorwenden, fingeren, simuleren, veinzen

voorgeven

werkwoord

Betekenis

  1. voorwenden, fingeren, simuleren, veinzen
  2. (de bal) voor het vijandelijke doel brengen

werkwoord

  1. voor het vijandelijke doel brengen transitive

Vervoeging van voorgeven

voorgevenhele werkwoord — gaf voorverleden tijd enkelvoud — gaven voorverleden tijd meervoud — voorgegevenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik geef voor gaf voor
jij geeft voor gaaft voor
hij, zij, het geeft voor gaf voor
wij geven voor gaven voor
jullie geven voor gaven voor
zij geven voor gaven voor
Alle 83 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is voorgegeven impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was voorgegeven impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd voorgegeven impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt voorgegeven impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal voorgegeven worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal voorgegeven zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou voorgegeven worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou voorgegeven zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gaf voor verleden tijd
geef voor gebiedende wijs
had voorgegeven voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had voorgegeven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had voorgegeven voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden voorgegeven voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden voorgegeven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden voorgegeven voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt voorgegeven voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb voorgegeven voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben voorgegeven actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben voorgegeven voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben voorgegeven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben voorgegeven voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt voorgegeven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft voorgegeven voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft voorgegeven voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben voorgegeven actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen voorgeven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor te geven actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
voor te zullen geven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
voor zal geven bijzin, toekomende tijd
voor zou geven bijzin, voorwaardelijk
voor zouden geven bijzin, voorwaardelijk
voor zoudt geven bijzin, voorwaardelijk
voor zullen geven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
voor zullen geven bijzin, toekomende tijd
voor zult geven bijzin, toekomende tijd
voorgaaft bijzin, verleden tijd
voorgaf bijzin, verleden tijd
voorgaven bijzin, verleden tijd
voorgeef bijzin, tegenwoordige tijd
voorgeeft bijzin, tegenwoordige tijd
voorgegeven verleden tijd, deelwoord
voorgegeven te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
voorgegeven zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
voorgevend onvoltooid, deelwoord
zal voorgegeven hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal voorgegeven hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal voorgegeven hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal voorgeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal voorgeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal voorgeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal voorgeven bijzin, toekomende tijd
zou voorgegeven hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou voorgegeven hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou voorgegeven hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou voorgeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou voorgeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou voorgeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou voorgeven bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) voorgeven voor zou(dt) geven bijzin, voorwaardelijk
zouden voorgegeven hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden voorgegeven hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden voorgegeven hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden voorgeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden voorgeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden voorgeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden voorgeven bijzin, voorwaardelijk
zoudt voorgegeven hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt voorgeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt voorgeven bijzin, voorwaardelijk
zullen voorgegeven hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen voorgegeven hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen voorgegeven hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen voorgeven actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen voorgeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen voorgeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen voorgeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen voorgeven bijzin, toekomende tijd
zult voorgegeven hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult voorgeven aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult voorgeven bijzin, toekomende tijd
zult/zal voorgeven voor zult/zal geven bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van voor en geven

Woordfamilie van voorgeven

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gaf voor verleden tijd voorgeven
gaven voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon voorgeven
geef voor gebiedende wijs voorgeven
geeft voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon voorgeven
geve voor woordvorm voorgeven
geven voor aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon voorgeven
voorgaf subordinate-clause, verleden tijd voorgeven
voorgaven subordinate-clause, verleden tijd voorgeven
voorgeef subordinate-clause, tegenwoordige tijd voorgeven
voorgeeft subordinate-clause, tegenwoordige tijd voorgeven
voorgegeven voltooid deelwoord voorgeven
voorgeve with-subordinate-clause voorgeven
voorgevend onvoltooid deelwoord voorgeven
voorgevende woordvorm voorgeven

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorgeven zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over voorgeven

Wat betekent voorgeven?
Voorgeven is een werkwoord. Het woord betekent: voorwenden, fingeren, simuleren, veinzen. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je voorgeven?
Je vervoegt voorgeven als volgt: het voltooid deelwoord is voorgegeven. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord voorgeven is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. G 3
  6. E 1
  7. V 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

voorgeven levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. O 1
  3. O 1
  4. R 2
  5. G 3
  6. E 1
  7. V 4
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

voorgeven in het kort

voorgeven staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van voorgeven zijn 55 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort voorgeven bij een woordfamilie van 14 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

voorgeven: voorwenden, fingeren, simuleren, veinzen
Deel voorgeven — standaardnederlands.nl