voorgeven
werkwoordBetekenis
- voorwenden, fingeren, simuleren, veinzen
- (de bal) voor het vijandelijke doel brengen
werkwoord
- voor het vijandelijke doel brengen transitive
Vervoeging van voorgeven
voorgevenhele werkwoord — gaf voorverleden tijd enkelvoud — gaven voorverleden tijd meervoud — voorgegevenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | geef voor | gaf voor |
| jij | geeft voor | gaaft voor |
| hij, zij, het | geeft voor | gaf voor |
| wij | geven voor | gaven voor |
| jullie | geven voor | gaven voor |
| zij | geven voor | gaven voor |
Alle 83 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is voorgegeven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was voorgegeven | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd voorgegeven | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt voorgegeven | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal voorgegeven worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal voorgegeven zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou voorgegeven worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou voorgegeven zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gaf voor | verleden tijd |
| geef voor | gebiedende wijs |
| had voorgegeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had voorgegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had voorgegeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden voorgegeven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden voorgegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden voorgegeven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt voorgegeven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb voorgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorgegeven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben voorgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben voorgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben voorgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt voorgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft voorgegeven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben voorgegeven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen voorgeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor te geven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| voor te zullen geven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voor zal geven | bijzin, toekomende tijd |
| voor zou geven | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zouden geven | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zoudt geven | bijzin, voorwaardelijk |
| voor zullen geven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voor zullen geven | bijzin, toekomende tijd |
| voor zult geven | bijzin, toekomende tijd |
| voorgaaft | bijzin, verleden tijd |
| voorgaf | bijzin, verleden tijd |
| voorgaven | bijzin, verleden tijd |
| voorgeef | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorgeeft | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voorgegeven | verleden tijd, deelwoord |
| voorgegeven te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| voorgegeven zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| voorgevend | onvoltooid, deelwoord |
| zal voorgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal voorgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal voorgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal voorgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal voorgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal voorgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal voorgeven | bijzin, toekomende tijd |
| zou voorgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou voorgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou voorgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou voorgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou voorgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou voorgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou voorgeven | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) voorgeven voor zou(dt) geven | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden voorgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden voorgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden voorgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden voorgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden voorgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden voorgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden voorgeven | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt voorgegeven hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt voorgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt voorgeven | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen voorgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen voorgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen voorgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen voorgeven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen voorgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen voorgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen voorgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen voorgeven | bijzin, toekomende tijd |
| zult voorgegeven hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult voorgeven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult voorgeven | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal voorgeven voor zult/zal geven | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van voor en geven
Woordfamilie van voorgeven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gaf voor | verleden tijd | voorgeven |
| gaven voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | voorgeven |
| geef voor | gebiedende wijs | voorgeven |
| geeft voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | voorgeven |
| geve voor | woordvorm | voorgeven |
| geven voor | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | voorgeven |
| voorgaf | subordinate-clause, verleden tijd | voorgeven |
| voorgaven | subordinate-clause, verleden tijd | voorgeven |
| voorgeef | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorgeven |
| voorgeeft | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | voorgeven |
| voorgegeven | voltooid deelwoord | voorgeven |
| voorgeve | with-subordinate-clause | voorgeven |
| voorgevend | onvoltooid deelwoord | voorgeven |
| voorgevende | woordvorm | voorgeven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van voorgeven zijn vastgelegd.