Naar de inhoud

schutten

een schip door een sluis doen passeren

schutten is meer dan één woord

schutten

werkwoord, zelfstandig naamwoord

Betekenis

  1. een schip door een sluis doen passeren
  2. in een kooi of achter een omheining bergen
  3. beschermen tegen bijvoorbeeld de weersgesteldheden

Vervoeging van schutten

schuttenhele werkwoord — schutteverleden tijd enkelvoud — geschutvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schut schutte
jij schut schutte
hij, zij, het schut schutte
wij schutten —
jullie schutten —
zij schutten —
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geschut voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geschut voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geschut impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geschut impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geschut impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geschut impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geschut worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geschut zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geschut worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geschut zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geschut verleden tijd, deelwoord
geschut te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geschut te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geschut te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschut te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschut te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschut worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geschut zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geschut zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geschut zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geschut zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geschut voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geschut voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geschut voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geschut voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geschut voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geschut voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geschut voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geschut voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geschut actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geschut voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geschut voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geschut voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geschut voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geschut voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geschut voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geschut voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geschut voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
schut gebiedende wijs
schutte verleden tijd
schutte aanvoegende wijs
schuttend onvoltooid, deelwoord
te hebben geschut actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te schutten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen schutten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geschut voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geschut voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geschut voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geschut voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geschut voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geschut voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geschut voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geschut enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geschut enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geschut enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geschut enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geschut enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geschut enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geschut enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geschut enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geschut enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geschut enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geschut enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geschut enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geschut enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal geschut hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geschut hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geschut hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geschut worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geschut worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geschut zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geschut zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal schutten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal schutten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal schutten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geschut voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geschut voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geschut voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geschut voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geschut hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geschut hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geschut hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geschut worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geschut worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geschut worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geschut zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geschut zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geschut zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou schutten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou schutten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou schutten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geschut hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geschut hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geschut hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geschut worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geschut worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geschut worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geschut zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geschut zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geschut zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden schutten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden schutten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden schutten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geschut hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geschut worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geschut zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt schutten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geschut hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geschut hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geschut hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geschut worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geschut worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geschut worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geschut zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geschut zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geschut zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen schutten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen schutten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen schutten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen schutten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geschut hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geschut worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geschut zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult schutten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van schutten

Vervoeging van schutten

schuttenhele werkwoord — schutteverleden tijd enkelvoud — geschutvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik schut schutte
jij schut schutte
hij, zij, het schut schutte
wij schutten —
jullie schutten —
zij schutten —
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geschut voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geschut voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geschut impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geschut impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geschut impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geschut impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geschut worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geschut zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geschut worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geschut zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geschut verleden tijd, deelwoord
geschut te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geschut te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geschut te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschut te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschut te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geschut worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geschut zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geschut zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geschut zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geschut zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geschut voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geschut voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geschut voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geschut voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geschut voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geschut voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geschut voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geschut voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geschut actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geschut voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geschut voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geschut voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geschut voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geschut voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geschut voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geschut voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geschut voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
schut gebiedende wijs
schutte verleden tijd
schutte aanvoegende wijs
schuttend onvoltooid, deelwoord
te hebben geschut actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te schutten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen schutten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
waart geschut voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geschut voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geschut voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geschut voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geschut voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geschut voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geschut voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geschut enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geschut enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geschut enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geschut enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geschut enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geschut enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geschut enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geschut enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geschut enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geschut enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geschut enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geschut enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geschut enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal geschut hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geschut hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geschut hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geschut worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geschut worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geschut zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geschut zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal schutten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal schutten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal schutten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn geschut voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geschut voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geschut voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geschut voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geschut hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geschut hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geschut hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geschut worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geschut worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geschut worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geschut zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geschut zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geschut zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou schutten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou schutten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou schutten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geschut hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geschut hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geschut hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geschut worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geschut worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geschut worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geschut zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geschut zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geschut zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden schutten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden schutten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden schutten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geschut hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geschut worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geschut zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt schutten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geschut hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geschut hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geschut hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geschut worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen geschut worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen geschut worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geschut zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geschut zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geschut zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen schutten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen schutten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen schutten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen schutten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult geschut hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geschut worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult geschut zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult schutten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord schut

Herkomst

In de betekenis van ‘tegenhouden’ voor het eerst aangetroffen in 1240

Woordfamilie van schutten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geschutte woordvorm schutten
schutte verleden tijd schutten
schuttend onvoltooid deelwoord schutten
schuttende woordvorm schutten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schutten zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over schutten

Wat betekent schutten?
Schutten is een werkwoord. Het woord betekent: een schip door een sluis doen passeren. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je schutten?
Je vervoegt schutten als volgt: de tegenwoordige tijd is schut, de verleden tijd is schutte en het voltooid deelwoord is geschut. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord schutten is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. C 5
  3. H 4
  4. U 4
  5. T 2
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

schutten levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. C 5
  3. H 4
  4. U 2
  5. T 2
  6. T 2
  7. E 1
  8. N 1
  9. 19 zonder bonus
  10. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (C) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

schutten in het kort

schutten is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van schutten zijn 72 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort schutten bij een woordfamilie van 4 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

schutten: een schip door een sluis doen passeren
Deel schutten — standaardnederlands.nl