schutter
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈsxʏtərBetekenis
- iemand die een schiettuig bedient
- iemand die de bal tracht in het doel te doen belanden, veelal van enige afstand
Hoe spreek je schutter uit?
/ˈsxʏtər/
Schutter bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| x | acht |
| ʏ | put |
| t | tak |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| schutters | meervoud |
| schuttertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| schuttertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schutteren
- gebiedende wijs van schutteren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schutteren
Vervoeging van schutter
schutterhele werkwoord
Herkomst
afgeleid met nultrap en umlaut bij de wortel van het werkwoord schieten met het achtervoegsel -er, oorspronkelijk afkomstig van schuttre (iemand die met pijl en boog schiet), in de betekenis van ‘persoon die schiet’ aangetroffen vanaf 1240
Woordfamilie van schutter
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| schutters | meervoud | schutter |
| schuttertje | verkleinwoord | schutter |
| schuttertjes | verkleinwoord meervoud | schutter |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van schutter zijn vastgelegd.